Einde inhoudsopgave
RvdW 2025/604
Eendaadse samenloop van medeplegen invoer van 250 kg cocaïne (art. 2 onder A Opiumwet) en medeplegen voorbereidingshandelingen daarvoor (art. 10a lid 1 Opiumwet). Bewijsklachten medeplegen. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR 5 juli 2016, NJ 2016/411, m.nt. N. Rozemond, m.b.t. medeplegen en in het bijzonder afbakening tussen medeplegen en medeplichtigheid. Hof heeft vastgesteld dat op 20 december 2016 gesprek heeft plaatsgevonden tussen verdachte en mededaders 1 en 2. In dat gesprek heeft mededader 1 gezegd dat ‘650’ klaarstaat, dat ‘750’ klaarstaat en dat ‘250’ onderweg is. Uit dit gesprek blijkt dat verdachte, die wist dat er sprake was van pauze van 2 maanden in levering van cocaïne, onaangenaam verrast was dat er toch partij cocaïne onderweg was. Bemoeienis van verdachte met partij cocaïne is echter niet daar opgehouden. Verdachte heeft in reactie op mededader 1 gezegd dat hij er dan niet is, maar dat mededader 3 wel gebeld kan worden. Mededader 3 heeft ook daadwerkelijk meegeholpen op 31 december 2016. Verdachte heeft op 24 december 2016 mededader 4 benaderd om te helpen met uitladen en gescheiden houden van pallet met cocaïne op 31 december 2016. Die dag heeft verdachte aan mededader 2 laten weten dat mededader 4 wel wil helpen. Op 29 december 2016 heeft verdachte aan mededader 2 doorgegeven dat ‘het morgenochtend wordt’, direct nadat hij vergelijkbaar bericht van mededader 4 heeft ontvangen. Verdachte heeft verder twee keer gevraagd om op hoogte te worden gehouden, namelijk in telefoongesprekken met mededader 2 op 24 december 2016 en 30 december 2016. Daarbij informeert mededader 2 verdachte over moment van invoer van pallet met cocaïne, waarna verdachte laat blijken dat ‘top’ te vinden. O.g.v. deze vaststellingen is hof tot gevolgtrekking gekomen dat verdachte, ook al heeft hij in gesprek van 20 december 2016 aangegeven er niet te zijn, bemoeienis heeft gehouden met invoer van partij cocaïne en daartoe actief heeft gehandeld (waarbij hof kennelijk i.h.b. oog heeft op intensiteit van samenwerking tussen de bij invoer betrokken personen en rol van verdachte in voorbereiding van die invoer) en heeft hof verklaring van verdachte dat hij probeerde alles af te houden, dat hij ongevraagd op hoogte werd gehouden en dat hij zich wilde onttrekken aan (voorbereiding van) invoer van cocaïne, ongeloofwaardig geacht. ’s Hofs hierop gebaseerde oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, zowel waar het gaat om invoer van cocaïne als m.b.t. daaraan voorafgaande voorbereidingshandelingen, geeft niet blijk van onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Volgt verwerping. Samenhang met RvdW 2025/600, RvdW 2025/602, RvdW 2025/603 en RvdW 2025/613. CAG: anders.
HR 22-04-2025, ECLI:NL:HR:2025:640
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
22 april 2025
- Magistraten
Mrs. M.J. Borgers, C. Caminada, F. Posthumus
- Zaaknummer
22/04481
- Conclusie
A-G mr. E.J. Hofstee
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Opiumwet
Materieel strafrecht / Algemeen
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2025:640, Uitspraak, Hoge Raad, 22‑04‑2025
ECLI:NL:PHR:2025:142, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 11‑02‑2025
Essentie
Eendaadse samenloop van medeplegen invoer van 250 kg cocaïne (art. 2 onder A Opiumwet) en medeplegen voorbereidingshandelingen daarvoor (art. 10a lid 1 Opiumwet). Bewijsklachten medeplegen. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR 5 juli 2016, NJ 2016/411, m.nt. N. Rozemond, m.b.t. medeplegen en in het bijzonder afbakening tussen medeplegen en medeplichtigheid. Hof heeft vastgesteld dat op 20 december 2016 gesprek heeft plaatsgevonden tussen verdachte en mededaders 1 en 2. In dat gesprek heeft mededader 1 gezegd dat ‘650’ klaarstaat, dat ‘750’ klaarstaat en dat ‘250’ onderweg is. Uit dit gesprek blijkt dat verdachte, ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.