Einde inhoudsopgave
Bewijsrechtelijke verhoudingen verzekeringsrecht (Verzekeringsrecht) 2008/6.3.2
6.3.2 De vaststelling van de hoegrootheid van de schade na het evenement
prof.mr. N. van Tiggele-van der Velde, datum 26-05-2008
- Datum
26-05-2008
- Auteur
prof.mr. N. van Tiggele-van der Velde
- JCDI
JCDI:ADS354685:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
In dezelfde zin de meer recente vNAB-clausule (8.2 Benoeming experts) van 7 mei 2007: 'Tenzij partijen onderling overeenstemming bereiken over de grootte van de schade, eventueel op basis van een taxatie gemaakt door een door de verzekeraar benoemde expert- zal als uitsluitend bewijs van de grootte van de schade gelden een taxatie die is gemaakt door twee experts, waarvan verzekerde en verzekeraars er ieder één benoemen.'
HR 5 april 1991, NJ 1992, 244(Zeeuwse/Mangnus) m.nt. PvS. Zie in dezelfde zin HR 14 februari 1992, nJ 1992, 245(Aegon/CSF) m.nt. PvS, HR 12 september 1997 (Confood/Zurich) m.nt. MMM en HR 11 september 1998, NJ 1998, 851(Overbeek/IJsselstein). In het in de hoofdtekst weergegeven oordeel van de Hoge Raad dat het indemniteitsbeginsel kan worden gepasseerd ligt - net als dat kennelijk bij de wetgever bij de totstandkoming van art. 7:960 BW het geval is geweest - besloten dat het indemniteitsbeginsel niet (meer) gezien wordt als een uitvloeisel van de goede zeden of de openbare orde. Alleen in dat geval, immers, kan overeenkomstig het bepaalde in art. 7:902 BW een vaststellingsovereenkomst dwingend recht opzij zetten. Vgl. J.H. Wansink, Het indemniteitsbeginsel, een sluipend proces van erosie, Vrb 1998, p. 114 e.v. en Asser/Clausing & Wansink 2007, nr. 322.
NJ 1998, 382: 'In een geval als het onderhavige, waarin partijen zijn overeengekomen dat zij zich binden aan een door derden - in opdracht van partijen - te geven beslissing, kunnen alleen ernstige gebreken in de beslissing gebondenheid eraan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar maken. Hetgeen het hof heeft vastgesteld wettigt echter niet de gevolgtrekking dat in het onderhavige geval van zodanige ernstige gebreken sprake is. In het midden kan blijven of het Hof terecht heeft geoordeeld dat de deskundigen hun opvatting dat bij de vaststelling van de door Zürich te vergoeden schade moet worden uitgegaan van de herbouwwaarde, hebben gegrond op een onjuiste uitleg van de algemene voorwaarden. Ook indien die uitleg onjuist is, kan toch niet worden gezegd dat zulks als een ernstig gebrek in bovenbedoelde zin moet worden beschouwd. De aard van een verzekering als de onderhavige brengt immers, zoals ook naar voren komt uit art. 7.17.2.13 Ontw. BW (Kamerstukken II1985/86, 19 529, nr. 1), mee dat, tenzij blijkt van het tegendeel, partijen geacht worden het gebouw naar zijn herbouwwaarde te hebben verzekerd.'
Zie Asser/Clausing & Wansink 2007, nr. 323.
HR 17 december 1993, NJ 1994, 243 (Van Marle/Wereldhave), waarin vanzelfsprekend de op dat moment geldende deskundigentaxatie ex art. 275 K (oud) centraal stond.
HR 14 februari 1992, NJ 1992, 245 m.nt. PvS.
Zie Conclusie Asser voor Aegon/CSF (NJ 1992, 245), nr. 2.34. Hij citeert F.Th. Kremer, Het indemniteitsbeginsel, diss. EUR, Serie verzekeringsrecht, Zwolle 1987, p. 146-147, die op zijn beurt aanhaalt F.A.C. Westermann, Brandverzekering met voortaxatie, va 1962, p. 163: 'De taxatie is uitsluitend een overeenkomst aangaande de waarde: het belang wordt niet geacht door de voortaxatie te zijn bewezen.'
Uiteindelijk dienden verzekeraars ook/toch de waarde van de door de huurder aangebrachte voorzieningen (in de procedure ook wel aangeduid als het huurdersbelang) te betalen. Dat is in die zin juist, dat ingeval de experts de hoegrootheid tot dat bedrag vastgesteld hebben, verzekeraars ook gehouden zijn tot dat bedrag te vergoeden. Ook - dat is nu eenmaal de strekking van de vaststellingsovereenkomst ter beëindiging van een geschil als hier aan de orde - wanneer dit in strijd mocht zijn met het indemniteitsbeginsel. De deskundigen hadden mijns inziens evenwel niet tot die waardevaststelling moeten komen; zie later in de hoofdtekst.
Voor de vaststelling van de hoegrootheid van de schade na het evenement geldt dat partijen ook hierop al bij het sluiten van de verzekeringsovereenkomst kunnen anticiperen. Een veel gebruikte clausule, met name in het kader van bedrijfsmatige verzekeringen, is de navolgende uit de Nederlandse Beursvoorwaarden voor de Uitgebreide Gevarenverzekering (NBUG2006):
7.2 Benoeming experts
7.2.1 Als uitsluitend bewijs van de grootte van de schade geldt een taxatie die is gemaakt door een gezamenlijk te benoemen expert of door twee experts, waarvan verzekerde en verzekeraars er ieder één benoemen;1
(... )
In een reeks van arresten heeft de Hoge Raad de in deze clausule gegeven schadevaststelling gekwalificeerd als een vaststellingsovereenkomst die naar haar aard ertoe strekt onzekerheid of geschil omtrent de hoegrootheid van de door de verzekeraar te vergoeden schade te beëindigen met als gevolg dat de uitkomst niet aanvechtbaar is op grond van strijdigheid met het indemniteitsbeginsel:
'Vaststelling van de schade, die is geschied ingevolge de in de polis opgenomen schadevergoedingsclausule waarvan de inhoud luidt: "Als uitsluitend bewijs van de hoegrootheid der schade zal gelden een taxatie, opgemaakt door twee schatters strekt naar haar aard ertoe onzekerheid of geschil omtrent de hoegrootheid van de door de verzekeraar te vergoeden schade te beëindigen. Daarmede is niet verenigbaar dat de vaststelling als ongeldig zou dienen te worden beschouwd wanneer uitkering van het vastgestelde bedrag in strijd met het indemniteitsbeginsel zou komen doordat zij de verzekerde in een duidelijk voordeliger positie zou doen geraken. De vaststelling bindt partijen immers ook voor zover zij leidt tot een rechtstoestand die afwijkt van die welke tussen hen zou bestaan indien zij omtrent de schadevaststelling geen regeling zouden hebben getroffen.'2
Ook hier geldt dat het karakter van een vaststellingsovereenkomst onverlet laat dat op grond van art. 7:904 BW een vaststelling van de schade vernietigbaar is, indien gebondenheid daaraan in verband met inhoud of wijze van totstandkoming daarvan in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Daarvoor is wel vereist dat sprake is van 'ernstige gebreken in de beslissing' van de experts, aldus de Hoge Raad in het Confood/Zürich-arrest van 12 september 1997.3 Voorts kan een vaststellingsovereenkomst vernietigbaar zijn op grond van bedreiging, bedrog of misbruik van omstandigheden (art. 3:44 BW) en dwaling, behoudens voor zover deze betrekking heeft op omstandigheden waaromtrent onzekerheid of geschil bestond waaraan partijen met de vaststellingsovereenkomst juist een einde wilden maken.4
Tot slot: er is zowel een voortaxatie als een bindende schadevaststelling door experts
Niet ongewoon is de situatie dat er op basis van voortaxatie een verzekerde waarde voor het evenement is vastgesteld, terwijl er eveneens een clausule over de vaststelling van de hoegrootheid van de schade (als hiervoor bedoeld en weergegeven) is opgenomen in de overeenkomst. Alsdan kan de vraag rijzen hoe deze beide - ieder voor zich: bindende - vaststellingen zich tot elkaar verhouden. Een vraag die geacht wordt daar nauw mee samen te hangen, althans zo leert het arrest van de Hoge Raad van 17 december 1993,5 is die naar de strekking van de voortaxatie van deskundigen.
Aan het arrest ligt de volgende casus ten grondslag: Wereldhave heeft als eigenaar van een hal die tijdens de brand was verhuurd aan Makro, een uitgebreide opstalverzekering gesloten voor een verzekerd bedrag op basis van een deskundigentaxatie, groot ƒ 16 700 000 (hierna: de voorgetaxeerde waarde). In dat bedrag was begrepen het belang van Makro als huurster bij de voorzieningen die zij en haar voorgangster in de opstal hadden aangebracht. Deze voorzieningen behoorden weliswaar als bestanddeel van de opstal toe aan Wereldhave, maar Makro was 'economisch eigenares'. Makro moest die voorzieningen ingevolge de huurovereenkomst verzekeren en heeft dat ook gedaan. Wereldhave was niet gehouden die voorzieningen opnieuw aan te brengen. Makro heeft de voorzieningen na de brand bij herbouw opnieuw en op eigen kosten aangebracht. Aangenomen moet worden dat bedoelde voorzieningen na dit opnieuw aanbrengen door Makro door natrekking (weer) eigendom zijn geworden van Wereldhave. Verzekeraars stellen dat laatstgenoemde in zoverre dus geen schade heeft geleden, zodat zij door de uitkering overeenkomstig de deskundigentaxatie in een duidelijk voordeliger positie zou geraken dan voor de brand, hetgeen onverenigbaar is met het indemniteitsbeginsel. Een vaststellingsovereenkomst in de zin van art. 275 K (oud), zo stellen verzekeraars, strekt naar haar aard slechts tot bindende vaststelling van de waarde van het verzekerde voorwerp maar niet tot bindende vaststelling van het belang dat de verzekerde daarbij heeft en/of op een tijdstip in de toekomst zal hebben.
In zijn buitengewoon instructieve conclusie die voortbouwt op die in het eerdere Aegon/CSF-arrest,6 vat Asser de problematiek op de volgende wijze samen:
'In deze zaak was sprake van een voortaxatie in de zin van art. 275 K en een bindende schadevaststelling door experts op basis van die voortaxatie. De vraag die nu beantwoord moet worden is of het indemniteitsbeginsel zich er tegen verzet dat Wereldhave vergoeding ontvangt van de gehele in die schadevaststelling berekende schade nu Makro ter zake van de schade aan de ten processe bedoelde voorzieningen reeds een uitkering heeft ontvangen en daarmee die voorzieningen opnieuw heeft aangebracht.'
Hij verwerpt de door verzekeraars voorgestane beperkte reikwijdte van de bindende werking van de deskundigentaxatie die in de literatuur met name door Westermann en Kremer is verdedigd en die - kort gezegd - erop neerkomt dat de taxatie uitsluitend een vaststelling met betrekking tot de waarde.7Steun daarvoor vindt Asser onder meer in de stelling dat de wet noch in art. 275 K oud, noch in het thans geldende art. 7:960 BW het door verzekeraars voorgestane onderscheid tussen waarde en belang maakt. Daarop valt mijns inziens wel wat af te dingen. Zo spreekt art. 275 K (oud) erover dat 'indien (...) het verzekerd voorwerp vooraf is gewaardeerd door deskundigen, (... ) de verzekeraar daartegen niet (kan) opkomen', hetgeen toch veeleer wijst op de door Westermann en Kremer voorgestane beperkte uitleg. Minder uitgesproken is weliswaar de tekst van art. 7:960 BW, waarin het indemniteitsbeginsel 'toepassing mist bij voorafgaande taxatie van de waarde van de zaak krachtens een aan een deskundige opgedragen beslissing (...)', maar het is voor mij de vraag of de wetgever daarmee bedoeld heeft elk beroep op het indemniteitsbeginsel uit te sluiten op grond van het enkele feit dat de polis een deskundigentaxatie ter zake van de waarde van de verzekerde zaken bevat, ongeacht of dit beroep enige relatie heeft met de vaststelling van die waarde, gelijk hier aan de orde. De parlementaire geschiedenis geeft daarover geen uitsluitsel.
Niettemin heeft de Hoge Raad Asser gevolgd en overwogen:
'Een voortaxatie zoals bedoeld in art. 275 K, die alleen aantastbaar is in geval van bedrog, sluit uit dat de verzekeraar zich aan uitkering van het op basis van deze taxatie vastgestelde schadebedrag kan onttrekken met een (hoe ook gemotiveerd) beroep op het indemniteitsbeginsel (HR 14 febr. 1992, NJ 1992, 245). Eendergelijke taxatie - die mede bepalend is voor de hoogte van de premie - strekt niet slechts tot bepaling van de waarde van het verzekerde voorwerp, maar beoogt naar haar aard tevens elke andere discussie uit te sluiten over de vraag of de verzekerde na (algeheel) tenietgaan van het verzekerde, recht heeft op uitkering van het verzekerde bedrag, met name ook voor zover deze discussie haar grond zou vinden in de vraag of en in hoeverre de verzekerde op enig in dit verband mogelijkerwijs relevant tijdstip belang bij het verzekerde had.'
De door Asser voorgestane en ook door de Hoge Raad aanvaarde ruime uitleg laat zich mijns inziens ook slecht rijmen met een redelijke uitleg van de gebruikelijke polisredactie van de deskundigentaxatie, waarop de verzekerde aanspraak mag maken. Dat geldt zeker voor de onderhavige zaak, waarin de voortaxatie (in art. 8, tweede volzin) onderdeel was van de regeling omtrent de schadevaststelling, luidende:
'art. 7:
Het schadebedrag wordt vastgesteld (... ) door twee deskundigen, waarvan de verzekeraar en de verzekerde er elk één aanwijzen. (... )
art. 8:
Als schade zal worden aangenomen het verschil tussen de waarde voor en de waarde onmiddellijk na de ramp. (... ) Bij voortaxatie overeenkomstig art. 274 of 275 K zal (... ) als waarde voor de ramp, het bedrag dier voortaxatie worden aangenomen en zal bij het vaststellen van de waarde na de ramp, met de bedoelde voortaxatie rekening worden gehouden. (... )
art. 9:
Verzekeraar zal het recht hebben een schadevaststelling als in art. 8 vermeld voor hem als niet bindend te beschouwen en herziening daarvan te verlangen indien blijkt dat bij die schadevaststelling rekening is gehouden met aan één of meer der deskundigen verstrekte onjuiste inlichtingen of gegevens. Mocht één der partijen kunnen aantonen dat door de deskundigen rekenfouten zijn gemaakt, dan zal die partij bevoegd zijn daarvan verbetering te eisen.'
Lezing van deze regeling in de onderlinge samenhang van de drie artikelen rechtvaardigt mijns inziens eerder de opvatting dat de grondslag voor de -ook door mij op zichzelf juist geachte - uitkomst van het geding niet zozeer moet worden gevonden in de strekking van de deskundigentaxatie als wel in het bindend karakter van de schadevaststellingsovereenkomst.8 Vanzelfsprekend is juist, dat de voortaxatie door deskundigen bedoeld is om discussie uit te sluiten over het recht op uitkering. Maar dit uitsluiten van discussie mag mijns inziens niet verder gaan dan uitsluiten van de discussie omtrent de waarde, zoals deze voorgetaxeerd is en mag - indien de polisvoorwaarden niet een bindende vaststelling omtrent de hoegrootheid van de schade bevatten - niet ook uitsluiten de vraag of en in hoeverre de verzekerde belang bij het verzekerde had. Met andere woorden: alleen als er een 'tweede' vaststellingsovereenkomst (de vaststelling over de hoegrootheid van de schade) is opgenomen, is er ruimte om 'breder' te kijken. Daarbij zij bedacht dat bij uitstek bij de nataxatie de deskundige experts in de gelegenheid zijn, om - met inachtneming van de voortaxatie van de verzekerde waarde - in het kader van die nataxatie rekening te houden met de hen op dat moment bekend zijnde componenten die de uiteindelijke schade na evenement mede bepalen (zoals in Van Marle/Wereldhaven: het feit dat Wereldhave geen belang had bij de (dubbel) verzekerde voorzieningen).