Het onderzoek in de enquêteprocedure
Einde inhoudsopgave
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/2.2.3:2.2.3 De betrokkenheid van partijen bij het formuleren van de onderzoeksopdracht
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/2.2.3
2.2.3 De betrokkenheid van partijen bij het formuleren van de onderzoeksopdracht
Documentgegevens:
mr. drs. R.M. Hermans, datum 01-11-2017
- Datum
01-11-2017
- Auteur
mr. drs. R.M. Hermans
- JCDI
JCDI:ADS451880:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De rechter geeft aan partijen meestal niet alleen gelegenheid zich voorafgaand aan de benoeming van de deskundigen uit te laten over het aantal deskundigen, de keuze van de personen en het vakgebied van de deskundigen (artikel 194 lid 2 Rv), maar ook over de aan de deskundigen te stellen vragen. De grondslag voor dit gebruik is te vinden in het voorschrift dat de rechter de punten vermeldt waarover het oordeel van de deskundigen wordt gevraagd (artikel 194 lid 1 Rv) in verbinding met het beginsel van hoor en wederhoor. Een rechtstreekse wettelijke aanspraak van partijen op overleg met de rechter over de inhoud en reikwijdte van het deskundigenonderzoek ontbreekt.1
Bij de totstandkoming van het nieuwe bewijsrecht is door de vaste commissie voor Justitie van de Tweede Kamer gesuggereerd dat de rechter voorafgaand aan het deskundigenonderzoek tijdens een comparitie met partijen en de deskundigen de strekking van de opdracht zou dienen te bespreken en dat hij de vraagstelling eerst na onderling overleg zou dienen te formuleren.2 De minister van Justitie heeft dit voorstel niet overgenomen. Hij vond dat een verplichte comparitie de rechter een deel van de noodzakelijke vrijheid zou ontnemen om naar bevind van zaken zo te handelen als hem gezien de omstandigheden het beste voorkomt.3