Einde inhoudsopgave
Bestuurdersaansprakelijkheid uit onrechtmatige daad (R&P nr. InsR11) 2019/7.8.6.2
7.8.6.2 De wederrechtelijkheid van betalingen bij voorbereide doorstarts vanuit faillissement
mr. A. Karapetian, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. A. Karapetian
- JCDI
JCDI:ADS347365:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Materieel strafrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Dit gebeurde in HR 29 februari 1933, NJ 1933, p. 918.
Zie Noyon/Langemeijer/Remmelink, aant. 3.7 bij Inleiding/Wederrechtelijkheid.
Zie Noyon/Langemeijer/Remmelink, aant 3.6 bij Inleiding/Wederrechtelijkheid voor een overzicht van standpunten in de doctrine. Zie tevens de conclusie van A-G Van Dorst voor HR 27 juni 1995, NJ 1995/711.
Dat was in de oude bepaling – onder gelding waarvan het hof in de behandelde zaak uitspraak moest doen – niet het geval.
Hiervoor in paragraaf 7.8.3 bepleitte ik dat het bestanddeel wederrechtelijkheid niet te betekenis kan hebben van strijd met de faillissementspauliana. Met betrekking tot de wederrechtelijkheid in het algemeen spreekt De Hullu van ‘maatschappelijke ontwikkelingen die een milder licht werpen op de wederrechtelijkheid van bepaald gedrag’. Zie De Hullu 2018, p. 363.
Zie paragraaf 6.5.
Gewezen kan worden op het in 2012 aangekondigde wetgevingsprogramma ‘Herijking faillissementsrecht’ en de concept-richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende preventieve herstructureringsstelsels, een tweede kans en maatregelen ter verhoging van de efficiëntie van herstructurerings-, insolventie- en kwijtingsprocedures, COM (2016) 723 final (hierna: concept-richtlijn inzake preventieve herstructureringsmaatregelen).
Als gezegd werpt een tijdige bezinning op de financiële gezondheid van de onderneming ook zijn vruchten af voor de schuldeisers omdat een geredigeerde verkoop van bedrijfsonderdelen als geheel dikwijls meer oplevert dan een afzonderlijke verkoop van de activa in het faillissement.
Vgl. art. 42a concept WHOA op grond waarvan de curator voor vernietiging van zekerheden bij interim- krediet niet alleen moet aantonen dat er wetenschap van benadeling was, maar tevens het (in art. 42a concept WHOA neergelegde) vermoeden moeten ontkrachten dat de zekerheden zijn verschaft voor krediet dat nodig was om het bedrijf voort te zetten met het oog op de totstandkoming van een dwangakkoord. Zie tevens paragraaf 8.5.3 waarin het ‘running account’-principe wordt uitgelegd op grond waarvan dergelijke betalingen niet kunnen worden vernietigd als een ‘preferene’ in de zin van art. 239IA 1986.
Zie paragraaf 6.6.4.3 onder de kop ‘Proportionaliteit’.
Concept-richtlijn inzake preventie hersturctureringsmaatregelen, p. 6.
De vraag zou nog kunnen opkomen of de vergelijking in de bij deze noot behorende paragraaf terecht is aangezien hiervoor is betoogd dat normen die voor de schuldeiser (wederpartij) van de vennootschap gelden niet onverkort en in dezelfde vorm van toepassing zijn op de bestuurder. Artikel 17 uit de concept-richtlijn inzake herstructureringsmaatregelen heeft betrekking op de positie van de schuldeiser (wederpartij). De kritiek zou legitiem zijn ware het niet dat de vooronderstelling bij de Commissie lijkt te zijn dat bestuurders voor die transacties in ieder geval niet strafrechtelijk of anderszins aansprakelijk zijn. In art. 18 (zie voor een bespreking hiervan paragraaf 6.5.4.2) worden lidstaten verplicht regels vast te stellen die onder meer ertoe dienen bestuurders aan te zetten tot het nemen van maatregelen ter voorkoming van insolventie terwijl zij ook rekening moeten houden met de belangen van crediteuren en andere belanghebbenden. Daaraan ligt volgens de Commissie het uitgangspunt ten grondslag dat ‘bestuurders er niet van worden weerhouden hun redelijke zakelijke inzichten aan te wenden of redelijke commerciële risico’s te nemen, in het bijzonder wanneer dit de kansen op herstructurering van een potentieel levensvatbare onderneming zou verbeteren’ (nr. 36 preambule). Het zijn de regels aangaande de Pauliana en haar evenknieën waaraan de Commissie in art. 16 en 17 van de concept-richtlijn inzake herstructureringsmaatregelen de meeste aandacht besteedt omdat het veeleer die regels zijn die vanwege hun rigide karakter in de bestaande vorm geen ruimte laten voor het meewegen van herstructureringsoperaties tegen de achtergrond waarvan de te beoordelen transacties zijn verricht.
Vgl. Verstijlen 2017 die met betrekking tot de toepassing van de uitzondering aangaande ‘frauduleus en te kwader trouw’ verricht gedrag zijn twijfels uit met betrekking tot de toevoeging in het Nederlandse recht.
Het hof ontsloeg de bestuurder van rechtsvervolging omdat het tot de conclusie kwam dat de materiële wederrechtelijkheid van de gedraging ontbrak.1 De toepassing van de buitenwettelijke strafuitsluitingsgrond van het ‘ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid’ mag bijzonder worden genoemd omdat deze strafuitsluitingsgrond sinds de erkenning ervan door de Hoge Raad in 19332 een kwijnend bestaan heeft geleid.3 In de literatuur is dan ook de meerwaarde ervan ter discussie gesteld ten opzichte van de bestaande wettelijke rechtvaardigingsgronden en de mogelijkheid van een gedifferentieerde invulling van de wederrechtelijkheid.4 Met name voor het geval de wederrechtelijkheid als bestanddeel is opgenomen in de delictsomschrijving, is betoogd dat de beoordeling van de (algehele) geoorloofdheid van het gedrag binnen dat kader kan plaatsvinden zonder de noodzaak het ‘ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid’ als afzonderlijk toetsingskader te hanteren.
In de huidige delictsomschrijving van art. 343 aanhef en onder 3 Sr is de wederrechtelijkheid een bestanddeel.5 Het zal mijns inziens moeten gaan om de vraag of het desbetreffende gedrag naar algemeen aanvaarde maatschappelijke normen toelaatbaar of juist wordt geacht.6 In hoofdstuk 6 is besproken dat in het maatschappelijke discours de nadruk steeds meer is komen te liggen op de instandhouding van (onderdelen van) levensvatbare ondernemingen.7 Daartoe zijn verschillende wettelijke initiatieven ontplooid, zowel op het niveau van de nationale overheid als vanuit de Europese Unie.8 De kern van de voorgestelde regelingen is het voorkomen van kapitaalvernietiging en het bevorderen van waardebehoud mede gelet op het maatschappelijk belang dat daarmee wordt gediend.9 Gelet hierop zou mijns inziens in elk geval de betaling van schuldeisers die benodigd zijn voor de voortzetting van de bedrijfsvoering gedurende de periode waarin het reddingsplan wordt ontwikkeld, niet als wederrechtelijk geoordeeld moeten worden. Als gezegd betreft het in die gevallen veelal (handels)schuldeisers die bovendien een feitelijke machtspositie hebben omdat zij leveranties kunnen staken indien betaling uitblijft. Die betalingen zijn daarom (economisch) noodzakelijk. Indien daarnaast wordt bedacht dat tegenover de voldoening van die schulden de voldane schuldeisers (gedurende het proces van de totstandkoming van het reddingsplan) opnieuw krediet verschaffen en waarde inbrengen, is dat mijns inziens te meer reden om te concluderen dat selectieve betalingen in dat geval niet wederrechtelijk zijn.10 Het dient wel te gaan om een serieuze poging om de als rendabel bestempelde bedrijfsonderdelen te behouden. De bestuurder dient zijn reddingsintentie derhalve wel te kunnen staven met objectieve gegevens die geen speculatief karakter hebben en die het vooruitzicht van succes in zekere zin kunnen rechtvaardigen. Zonder meteen in de beoordeling van de slagingskans van de reddingsactie te treden, dient de rechter aan de hand van door de bestuurder overgelegde stukken te kunnen vaststellen dát hij bij het verrichten van de desbetreffende betalingen serieuze pogingen ondernam om delen van de onderneming door te starten.
Gaat deze redenering ook op ten aanzien van de schuldeiser die wordt betaald met het oog op de financiering van de doorstartende onderneming? Gesteld zou kunnen worden dat de schuldeisers in het uit te spreken faillissement enkel een boodschap hebben aan de gedeeltelijke (geplande) doorstart van de onderneming wanneer zij daarmee een groter gedeelte van hun vordering in het faillissement van de schuldenaar krijgen voldaan. Dat zal zich voordoen indien met een voorbereide verkoop van de rendabele onderdelen een hogere opbrengst voor de boedel wordt bereikt dan het geval zou zijn indien een doorstart vanuit het faillissement moet worden voorbereid terwijl met het uitspreken van het faillissement het beschikbare actief onderhevig is aan waardeverlies. Indien in die situatie een schuldeiser volledig wordt voldaan omdat hij anders weigert de doorstart te financieren, kan gesteld worden dat de bestuurder niet wederrechtelijk handelt omdat hij daarmee ook de vermogensbelangen van de gezamenlijke schuldeisers dient (via het realiseren van een hogere opbrengst). Ook als met de voorbereide doorstart van de gezonde bedrijfsonderdelen niet per se een hogere opbrengst voor de boedel (lees: de gezamenlijke schuldeisers) wordt voorzien, zal de voortzetting van die ondernemingsactiviteiten echter het (meermalen bezongen) maatschappelijke belang dienen dat eruit bestaat dat levensvatbare ondernemingen behouden blijven. In elk geval geldt mijns inziens om dezelfde redenen als in hoofdstuk 6 zijn uiteengezet dat met betrekking tot ondernemingen die een vitale functie vervullen binnen de Nederlandse samenleving de bestuurder geen verwijt kan worden gemaakt indien hij ten behoeve van het belang van de voortzetting van die onderneming een schuldeiser voldoet die noodzakelijk is voor de uitvoering van de doorstart.11
Buiten die situaties lijkt het maatschappelijk belang van werkgelegenheid en behoud van de onderneming minder ruimte te laten voor de bevoordeling van een schuldeiser die ten koste van de overige schuldeisers geschiedt.
Wat de positie van de bestuurder ten opzichte van de schuldeiser die bij wijze van tegenprestatie voor de financiering van de doorstart betaling ontvangt, bemoeilijkt, is dat de tegenover de betaling geplaatste inbreng van nieuwe waarde minder concreet en tastbaar is dan bij de hiervoor besproken schuldeisers. Is bijvoorbeeld voldoende dat de schuldeiser (na de voldoening van zijn schuld) in gesprek wil over een eventuele doorfinanciering of dient er sprake te zijn van een toezegging van zijn zijde op grond waarvan hij zich op voorwaarde van betaling ertoe verplicht de doorstartende onderneming te financieren? En wat is het alternatief voor de bestuurder als hij niet betaalt? Hij zal of op zoek moeten naar een andere financier of het faillissement van de vennootschap tegemoetzien als betaling uitblijft. Bedacht dient te worden dat het onder deze omstandigheden voldoen van een preferente schuldeiser – lees: de bank – in elk geval geen wederrechtelijke bevoordeling oplevert voorzover die schuldeiser in het faillissement een beroep kan doen op haar zekerheden als gevolg waarvan zij aan het einde van de rit toch met voorrang boven de overige schuldeisers wordt voldaan. Er kan in die situatie niet worden gesproken van een bevoordeling in de zin van art. 343 aanhef en onder 3 Sr. Indien het een concurrente schuldeiser betreft die wordt voldaan, zou ik de bevoordeling slechts aanvaardbaar vinden indien de desbetreffende schuldeiser zich ertoe heeft verbonden krediet beschikbaar te stellen voor de doorstarter, dat tenminste de schuldenaar-aanstaande failliet in staat stelt om zijn schuldeisers te voldoen voor het deel dat zij hadden ontvangen indien (zonder de bevoordeling en de reddingsoperatie) terstond het faillissement van de vennootschap was uitgesproken. In de kostprijs van (een deel van) de onderneming die wordt overgenomen liggen mijns inziens de vorderingen van de schuldeisers besloten voor zover zij zouden zijn voldaan indien de vennootschap onmiddellijk failliet was verklaard. In het andere geval zou de schuldeiser die wordt bevoordeeld een dubbel voordeel trekken uit de doorstart vanuit het faillissement. Hij zou anders dan de overige schuldeisers zowel voldaan worden op zijn bestaande vordering als de vruchten plukken van de doorstartende onderneming. Daarvoor bestaat alleen een rechtvaardiging indien de gezamenlijke schuldeisers met die transactie (de voldoening van de bestaande schuld en de financiering van de doorstart) in elk geval niet slechter af zijn dan indien het faillissement van de vennootschap onmiddellijk was uitgesproken.
In dit verband kan worden gewezen op het voorstel dat de Europese Commissie op 28 november 2016 uitvaardigde voor een richtlijn ‘betreffende preventieve herstructureringsstelsels, een tweede kans en maatregelen ter verhoging van herstructurerings-, insolventie-, en kwijtingsprocedures (…)’. De concept-richtlijn beoogt de belangrijkste belemmeringen weg te nemen voor het vrije verkeer van kapitaal die voortvloeien uit verschillen in de herstructrurerings- en insolventiestelsels van de lidstaten.12 Hoewel de concept-richtlijn juist ertoe strekt de lidstaten wettelijke instrumenten te laten creëren om insolventie te voorkomen – hetgeen verschilt van de hiervoor besproken situatie waarin de doorstart vanuit het faillissement centraal staat – is zij wel indicatief voor de door de Europese Commissie gemaakte afweging van belangen van bij noodlijdende ondernemingen betrokken partijen.13 De Commissie wenst onder meer de wettelijke barrières weg te nemen voor partijen om noodlijdende ondernemingen te financieren. Het vizier wordt daarbij onder andere gericht op de mogelijkheden om een transactie aantastbaar te maken onder de actio Pauliana en haar equivalenten in de verschillende lidstaten. In art. 17 van de concept-richtlijn wordt lidstaten opgedragen ervoor zorg te dragen dat ‘transacties die zijn uitgevoerd ter bevordering van de onderhandelingen over een door een gerechtelijke of administratieve instantie bevestigd herstructureringsplan, of die nauw met deze onderhandelingen zijn verbonden, niet als een voor de gezamenlijke crediteuren nadelige rechtshandeling nietig, vernietigbaar of niet tegenwerpbaar worden verklaard in het kader van daaropvolgende insolventieprocedures, tenzij die transacties frauduleus of te kwader trouw worden uitgevoerd’. Volgens lid 2 onder sub e vallen onder deze bescherming in elk geval transacties ‘zoals nieuw krediet, financiële bijdragen of gedeeltelijke overdrachten van activa buiten de normale bedrijfsuitoefening, die zijn verricht met het oog op en in nauw verband met onderhandelingen over een herstructureringsplan’. De voldoening van een schuldeiser die zich ertoe heeft verbonden krediet beschikbaar te stellen voor de uitvoering van het herstructureringsplan kan eenvoudig onder deze definitie worden gebracht. De voldoening van de schuld vindt immers plaats met het oog op en in nauw verband met de onderhandelingen aangezien de desbetreffende schuldeiser haar medewerking aan de herstructurering afhankelijk heeft gesteld van de voldoening van die bestaande schuld. Het is de vraag wat onder ‘frauduleus en te kwader trouw’ moet worden verstaan voor transacties die de bescherming van art. 17 ontberen.14 Gelet op het doel van de concept-richtlijn om de totstand- koming en uitvoering van herstructureringen ter voorkoming van insolventie te bevorderen (zie tevens lid 4 van art. 17) zal de schuldeiser die toezegt krediet beschikbaar te stellen voor de uitvoering van de herstructurering naar alle waarschijnlijkheid binnen het beschermingsbereik van art. 17 vallen.