Bestuurdersaansprakelijkheid uit onrechtmatige daad
Einde inhoudsopgave
Bestuurdersaansprakelijkheid uit onrechtmatige daad (R&P nr. InsR11) 2019/7.8.1:7.8.1 Algemeen
Bestuurdersaansprakelijkheid uit onrechtmatige daad (R&P nr. InsR11) 2019/7.8.1
7.8.1 Algemeen
Documentgegevens:
mr. A. Karapetian, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. A. Karapetian
- JCDI
JCDI:ADS348539:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Materieel strafrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Enkele onderdelen van het navolgende betoogde ik reeds in Karapetian 2018.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de nieuwe strafbaarstelling is, als gezegd, opgenomen dat de bevoordeling van de schuldeiser door de bestuurder wederrechtelijk dient te zijn. In het bestanddeel ‘wederrechtelijk’ ligt een verwijzing besloten naar art. 42 en 47 van de Faillissementswet. Deze bepalingen luiden als volgt:
Artikel 42 Fw
De curator kan ten behoeve van de boedel elke rechtshandeling die de schuldenaar vóór de faillietverklaring onverplicht heeft verricht en waarvan deze bij dit verrichten wist of behoorde te weten dat daarvan benadeling van de schuldeisers het gevolg zou zijn, door een buitengerechtelijke verklaring vernietigen. Artikel 50, tweede lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek is niet van toepassing.
Een rechtshandeling anders dan om niet, die hetzij meerzijdig is, hetzij eenzijdig en tot een of meer bepaalde personen gericht, kan wegens benadeling slechts worden vernietigd, indien ook degenen met of jegens wie de schuldenaar de rechtshandeling verrichtte, wisten of behoorden te weten dat daarvan benadeling van de schuldeisers het gevolg zou zijn.
Wordt een rechtshandeling om niet wegens benadeling vernietigd, dan heeft de vernietiging ten aanzien van de bevoordeelde, die wist noch behoorde te weten dat van de rechtshandeling benadeling van de schuldeisers het gevolg zou zijn, geen werking, voor zover hij aantoont dat hij ten tijde van de faillietverklaring niet ten gevolge van de rechtshandeling gebaat was.
Artikel 47 Fw
De voldoening door de schuldenaar aan een opeisbare schuld kan alleen dan worden vernietigd, wanneer wordt aangetoond, hetzij dat hij die de betaling ontving, wist dat het faillissement van de schuldenaar reeds aangevraagd was, hetzij dat de betaling het gevolg was van overleg tussen de schuldenaar en de schuldeiser, dat ten doel had laatstgenoemde door die betaling boven andere schuldeisers te begunstigen.
In de structuur van de faillissementspauliana is het onderscheid tussen onverplichte en verplichte handelingen bepalend voor de te hanteren vereisten voor vernietiging. Uit de parlementaire geschiedenis van de huidige bankbreukbepalingen blijkt dat het bestanddeel ‘wederrechtelijk’ in de nieuwe redactie van art. 343 aanhef en onder 3 Sr mede tegen de achtergrond van dit onderscheid is ingevoegd. De aansluiting van het strafrecht bij de structuur van de faillissementspauliana is mijns inziens op het punt van de aansprakelijkheid van de bestuurder uit systematisch oogpunt onjuist.1