Einde inhoudsopgave
Bestuurdersaansprakelijkheid uit onrechtmatige daad (R&P nr. InsR11) 2019/7.8.4
7.8.4 De interpretatie van ‘wederrechtelijk’ in art. 343 aanhef en onder 3 Sr
mr. A. Karapetian, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. A. Karapetian
- JCDI
JCDI:ADS349790:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Materieel strafrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Hof Arnhem 15 september 2009, ECLI:NL:GHARN:2009:BJ9391 dat mijns inziens ten onrechte overweegt dat de strafbaarstellingen uit art. 343 Sr alleen verwijtbare schendingen van faillissementsrechtelijke normen beogen strafbaar te stellen.
Zoals ook door Keulen (1990) en Hilverda (1992) werd bepleit met bettrekking tot de uitleg van het bestanddeel ‘op een tijdstip waarop hij wist dat het faillissement niet kon worden voorkomen.
Keulen stelde in zijn dissertatie dat de belangen die de strafbepalingen uit Titel XXVI beschermen, zijn: de vermogensbelangen van de schuldeisers, het openbaar krediet (het in het maatschappelijk verkeer heersend vertrouwen dat de schuldenaar zal proberen zoveel mogelijk aan zijn verplichtingen te voldoen) en het openbaar gezag (bestaande uit het in staat stellen van het bevoegd gezag in faillissement zijn wettelijke taken uit te oefenen). Zie Keulen 1990, p. 25-38 en in paragraaf 7.6.3.2.
Vgl. Erens 1888, p. 39-41; Bloemaerts 1881.
Dit is anders met de andere delictsgedragingen die in art. 343 Sr strafbaar zijn gesteld. De gedraging van de onttrekking aan de boedel en het buitensporig verbruiken, uitgeven en vervreemden van vermogensbestanddelen van de rechtspersoon zijn inherent kwalijk te noemen. Ook buiten de context van insolventie zal dergelijk handelen immers de vermogenspositie van de rechtspersoon aantasten en het beroepsmatige inzicht van de bestuurder twijfelachtig maken. Vgl. voor de onttrekking Kamerstukken II 2014/15, 33 994, nr. 6, p. 18 waarin de minister opmerkt dat de wederrechtelijkheid van de gedraging reeds besloten ligt in de gedraging van het onttrekken.
Zie hieronder in paragraaf 7.10.2 en 7.10.3.
Hoewel opeisbare schulden dikwijls noodzakelijk zijn omdat de schuldeiser individuele executiemaatregelen kan nemen (en het faillissement kan aanvragen) is dat niet per definitie het geval. Als de bestuurder bijvoorbeeld weet dat de desbetreffende schuldeiser op het punt staat failliet te gaan, zal de betaling van die – hoewel opeisbare – schuld op dat moment niet noodzakelijk zijn.
Opmerking verdient nog dat aan het bestaan van een faillissementsaangifte niet inherent is dat de bestuurder wist dat het faillissement onvermijdelijk was en dat elke betaling die daarna is verricht onder het bereik van art. 343 aanhef en onder 3 Sr komt. Een faillissementsaangifte kan immers ook als incassomiddel zijn gebruikt. Het is daarom zeer wel mogelijk dat betalingen die met wetenschap van de faillissementsaangifte worden gedaan niet strafbaar zijn omdat het faillissement (nog) niet onvermijdelijk was (de bestuurder zou de schuldeiser die de faillissementsaanvraag heeft ingediend voldoen en koesterde de gerechtvaardigde verwachting dat de financiële mogelijkheden konden worden afgewend). Vgl. De Weijs 2010, p. 296-300 voor de faillissementspauliana van art. 47 Fw.
Vgl. het in hoofdstuk 8 te bespreken stelsel van aantastbare ‘preferences’ in het Engelse recht waarbij een ‘desire to prefer’ eerder wordt aangenomen indien de voldoening een niet-opeisbare schuld betrof. Vgl. art. 43 Fw waarin voor die gevallen een bewijsvermoeden geldt ten aanzien van de wetenschap van benadeling.
Een aanvaardbare uitleg kan zijn dat de bestuurder met de betaling van die (niet-opeisbare) schuld nieuwe leveringen (en dus de verlenging van het krediet) wilde zekerstellen. Vgl. Van der Feltz I, p. 437-438 over denkbare situaties waarin niet opeisbare schulden worden betaald ‘waarbij in den regel elk denkbeeld aan kwade trouw is uitgesloten’.
Vgl. HR 29 november 2013, JOR 2014/213 over de reikwijdte van het bewijsvermoeden van art. 43 aanhef lid 1 onder 2 Fw aangaande de betaling van en zekerheidstelling voor niet-opeisbare schulden. In r.o. 3.7 overweegt de Hoge Raad onder verwijzing naar de totstandkomingsgeschiedenis van die bepaling dat het bewijsvermoeden zijn rechtvaardiging ontleent aan het verdachte karakter van de rechtshandeling. ‘Dit verdachte karakter berust erop dat de handelingen waarop het bewijsvermoeden betrekking heeft, gewoonlijk zullen worden verricht in het volle bewustzijn dat de schuldeisers erdoor benadeeld worden’, aldus het rechtscollege.
Ook ten aanzien van de faillissementspauliana is in de literatuur betoogd dat het onderscheid onverplicht - verplicht (slechts) één van de gezichtspunten zou moeten zijn voor de vaststelling van het paulianeuze gehalte van de kwestieuze handeling. Zie Van Dijck 2006, p. 162.
Uit het voorgaande mag blijken dat het mij onjuist voorkomt de regels van de faillissementspauliana aan te wenden voor de invulling van het bestanddeel ‘wederrechtelijke bevoordeling’ in art. 343 aanhef en onder 3 Sr.1 In welke gevallen dient de bevoordeling dan wel wederrechtelijk te worden geoordeeld?
Mijns inziens kan daarvoor worden teruggegrepen op het onder de oude regeling geldende vereiste dat de bevoordeling heeft plaatsgegrepen op een tijdstip waarop de bestuurder wist dat het faillissement niet was te voorkomen. Wederrechtelijk is een bevoordeling van een schuldeiser op een moment dat de bestuurder weet dat het faillissement niet was te voorkomen. Conform hetgeen daaromtrent door de wetgever van 1886 werd gesteld, zou het dan wel moeten gaan om een ‘zeker weten’ dat het faillissement onvermijdelijk is.2 In die situatie staat het de bestuurder niet meer vrij schuldeisers te betalen – ongeacht of het een opeisbare of niet-opeisbare schuld betreft- omdat daarmee de desbetreffende schuldeisers buiten de concursus worden geplaatst waardoor een wettelijke verdeling van het vermogen van de schuldenaar ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers onmogelijk wordt gemaakt. Dit vormt niet alleen een strafwaardige schending van de vermogensbelangen van de schuldeisers, maar ondergraaft bovendien het vertrouwen in het handelsverkeer dat een schuldenaar niet vlak voordat de verdelingsregels formeel van kracht worden bepaalde schuldeisers een voorkeursbehandeling geeft.3 De eis dat het een zekere wetenschap moet betreffen dat het faillissement onafwendbaar is, brengt met zich dat de bestuurder bij eventuele pogingen tot redding van de onderneming (strafrechtelijk) buiten schot blijft. Die pogingen kunnen bestaan uit het voeren van gesprekken met bestaande en/of nieuwe financiers, maar ook (en vaak tegelijkertijd) het voeren van overleg met de schuldeisers met het doel (onderdelen van) de onderneming te behouden. In die gevallen kan niet worden gesproken van een ‘zeker weten’ dat het faillissement onvermijdelijk is omdat reddingspogingen uit de aard der zaak een dergelijke wetenschap uitsluiten.4 Zelfs als de mogelijkheid aanwezig is dat de redding mislukt en het faillissement zal worden uitgesproken, dan kan mijns inziens niet gezegd worden dat de wetenschap bestaat dat het faillissement zal volgen als de bestuurder nog enige kans ziet op herstel. Een dergelijke toepassing van het bestanddeel wederrechtelijkheid biedt een voldoende duidelijk kader voor de beoordeling van de strafbaarheid van de bevoordeling terwijl zij daarnaast gevallen waarin de bestuurder pogingen onderneemt tot behoud van de onderneming buiten het bereik van de strafbepaling plaatst.
De eis dat het faillissement naar de zekere wetenschap van de bestuurder onvermijdelijk was ten tijde van de bevoordelingsgedraging kan fors worden genoemd. Mijns inziens is de verklaring daarvoor dat het voldoen van een bestaande schuld van de vennootschap de bestuurder in beginsel niet kwalijk kan worden genomen. De gedraging is met andere woorden niet intrinsiek laakbaar.5 De laakbaarheid en strafwaardigheid van het gedrag is pas aan de orde wanneer het faillissement zich voldoende zeker laat aanzien als gevolg waarvan de belangen van de schuldeisers prevalent worden.
De vraag kan evenwel worden gesteld of het voldoen van bepaalde schuldeisers vóór het tijdstip waarop voor de bestuurder duidelijk is dat het faillissement onvermijdelijk is, niet onder omstandigheden toch strafwaardig gedrag kan betreffen. Met name indien de voldoening gerelateerde schuldeisers betreft of indien het gaat om de betaling van een niet-opeisbare schuld, kan de vraag rijzen of de bestuurder niet reeds strafwaardig handelt indien hij zich bewust is van de aanmerkelijke kans dat daardoor de verhaalsbelangen van de gezamenlijke schuldeisers worden aangetast. Het zal dan vooral gaan om betalingen die in economisch opzicht niet noodzakelijk zijn voor de bedrijfsvoering (van de vennootschap). De strafbaarheid van deze gedragingen zou in de strafbaarstelling tot uiting kunnen komen door voor aansprakelijkheid voldoende te achten dat de bestuurder zonder noodzaak een schuldeiser heeft bevoordeeld wetende dat de schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden worden benadeeld.
Hoewel deze benadering aansprekend is omdat zij een objectieve maatstaf bevat voor de beoordeling van de wederrechtelijkheid, betwijfel ik of een uitbreiding van de strafbaarheid in die zin wenselijk is. Een dergelijke benadering heeft tot gevolg dat de bestuurder zich vanaf het moment dat hij zich bewust is van het feit dat een aanmerkelijke kans bestaat op de benadeling van de schuldeisers moet onthouden van betalingen die niet noodzakelijk zijn. De vaststelling van het tijdstip waarop de aanmerkelijke kans op benadeling bestaat is daarbij een bewerkelijke taak.6 Dat zal ook gelden voor de vraag of een betaling – die vanzelfsprekend verschuldigd is – wel of niet noodzakelijk is. De bestuurder zou zich bij financiële problemen moeten afvragen welke betalingen hij nog mag doen omdat de betalingen ook betrekking kunnen hebben op schulden waarvan de voldoening niet noodzakelijk is.7 In het licht van het belang van een duidelijke strafrechtelijke normstelling is dat mijns inziens een te zware last voor de bestuurder. De beoordeling van de kans op verhaalsbenadeling én het bepalen of een betaling economisch noodzakelijk is, biedt te weinig houvast voor de bestuurder om zijn strafrechtelijke rechtspositie voorafgaande aan de betaling te kunnen beoordelen. Ook tegen de achtergrond van de wens om de bestuurder de ruimte te geven zich te beraden op de levensvatbaarheid van (delen van) de onderneming en daartoe maatregelen te treffen, heeft een strafbaarstelling met die inhoud niet de voorkeur. Bij dit alles dient te worden bedacht dat het te beoordelen gedrag van de bestuurder het betalen van een bestaande schuld betreft hetgeen behoort tot de normale bedrijfsvoering en welk gedrag in het licht van het uitgangspunt dat verbintenissen behoren te worden nagekomen in beginsel geen kwalijk karakter heeft. Indien bepaalde betalingen wel omgeven zijn met de sfeer van kwade trouw, biedt het procesrecht, zo zal ik hierna uiteenzetten, mijns inziens mogelijkheden om die betalingen onder omstandigheden onder de werking van het bevoordelingsdelict te brengen. Gedoeld wordt op de bewijstechnische functie van het onderscheid tussen een verplichte en onverplichte voldoening van bepaalde schuldeisers.
Bewijstechnische functie van het onderscheid tussen verplichte en onverplichte (rechts)handelingen
Hiervoor is betoogd dat bij de toepassing van de geschetste norm voor de bestuurder (en voor de schuldenaar-vennootschap) niet kan worden aangesloten bij het onderscheid dat in de structuur van de faillissementspauliana wordt gemaakt tussen het verrichten van onverplichte en verplichte (rechts)handelingen.8 Dat dit onderscheid niet bepalend is voor de kwalificatie van het strafbare gedrag van de bestuurder, laat onverlet dat het wel een bewijstechnische functie kan hebben. Indien de betaling een niet-opeisbare schuld van de vennootschap betrof, zal dat mogelijk een indicatie zijn dat de bestuurder wist dat het faillissement onvermijdelijk was.9 Dergelijke betalingen hebben in het handelsverkeer immers in zekere zin een verdacht karakter. De bestuurder doet dan iets wat hij niet behoefde te doen. Het is bovendien ongebruikelijk dat schulden die nog niet opeisbaar zijn, worden voldaan. De stelling dat de bestuurder in die gevallen iets heeft uit te leggen, is daarom gerechtvaardigd.10 Als die uitleg ontbreekt of niet geloofwaardig is, dan is de daaraan verbonden gevolgtrekking dat de bestuurder wist dat het faillissement – en dus de benadeling van de overige schuldeisers – onvermijdelijk was mijns inziens zeer wel verdedigbaar.11 Dat geldt (in iets mindere mate) ook voor de voldoening van schulden in een andere vorm dan waarin de oorspronkelijke verbintenis is opgesteld.12 In het normale handelsverkeer zullen verbintenissen worden nagekomen in de vorm zoals aanvankelijk is overeengekomen. De schuldeiser van een geldschuld zal dikwijls betaling in geld willen ontvangen – al dan niet omdat haar bedrijfsvoering daarop zal zijn ingesteld. Een van de overeenkomst afwijkende wijze van voldoening beoogt de in de verbintenis besloten liggende waarde te verplaatsen naar de schuldeiser en bij gebreke van een aanvaardbare verklaring zal die handelwijze erop duiden dat de bestuurder de desbetreffende schuldeiser beoogde ‘voor de bui’ te voldoen. Dat zal mijns inziens de stelling kunnen ondersteunen dat de bestuurder zich ten tijde van die handelingen bewust was van de onvermijdelijkheid van het faillissement van de vennootschap.