Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/III.4.1.2
III.4.1.2 Het voorkomen van onterechte veroordelingen ten koste van het niet-bestraffen van daders
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS600893:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie § II.2.
Zie voor fundamentele kritiek echter Hulsroj 2013, p. 1-20; Epps 2015.
Alleen een greep uit de Nederlandse literatuur en parlementaire stukken ‘door de jaren heen’ levert al een grote hoeveelheid instemming op: Vgl. Van Rappard 1828, p. 64; Kamerstukken II 1828-29, V, nr. 25, p. 84 (MvT); Handelingen II 1829-1830, p. 350; Handelingen II 1854-55, p. 486; Kamerstukken II 1863-64, LVIII, nr. 22, p. 1811 (voorlopig verslag); Jongstra 1863, p. 593 en 603; Pols 1882, p. 363; Kamerstukken II 1909-1910, 44, nr. 1, p. 4; Bruch 1911, p. 68-69; Simons 1925, p. 153; Langemeijer 1931, p. 93; Pompe 1975, p. 49-50; Reijntjes 1980, p. 10-11; Corstens 2005. Zie voorts Groenhuijsen & Knigge 2001, p. 19, de reactie daarop van Brants, Mevis, Prakken & Reijntjes 2003, p. 5 en het weerwoord van de onderzoeksgroep in Groenhuijsen & Knigge 2004, p. 42-44. Zie recenter bijv. Van Sliedregt 2009, i.h.b. p. 21-22; Corstens/Borgers 2014, p. 756; Stevens 2017, p. 7 en het meer prozaïsche exposé van Hoekman 2016.
Zie over dit dilemma nader Van Dijk 2013.
Zo o.a. ook de concurring opinion van Harlan bij Amerikaans Supreme Court 31 maart 1970, 397 U.S. 358, 371-372 (In re Winship); Laudan 2006, p. 69; Levy 2013, p. 283; Wilkinson 2014, p. 1112.
Vgl. ook Amerikaans Supreme Court 30 juni 1958, 357 U.S. 513, 525-526 (Speiser/Randall): “There is always in litigation a margin of error, representing error in fact finding, which both parties must take into account. Where one party has at stake an interest of transcending value – as a criminal defendant his liberty – this margin of error is reduced as to him by the process of placing on the other party the burden of producing a sufficiency of proof in the first instance, and of persuading the fact finder at the conclusion of the trial of his guilt beyond a reasonable doubt.”
Rizzolli & Saraceno 2013.
Vgl. Van Dijk 2008, p. 117-118.
Zie bijv. Dworkin 1981, p. 210: “[...] decisions [...] may show special concern for moral harm, not only by paying a high price for accuracy, but also, and especially, by paying a price in accuracy to guard against a mistake that involves greater moral harm in the other direction.”
Aldus Van Dijk 2008, p. 128-136.
De onschuldpresumptie is niet de enige aan die gedachte uitdrukking gevende waarborg. Ook aan bijvoorbeeld het zwijgrecht en de bewijsminimumvoorschriften lijkt die voorkeur mede ten grondslag te liggen.
Aannemelijker acht ik dat deze asymmetrische distributie van fouten de gemiddelde feitelijke accuratesse van strafvonnissen opoffert aan de belangen van het onschuldige individu. Dat is geen schokkende constatering. De stelregel dat het beter is een x-aantal schuldigen vrij te spreken dan één onschuldige te veroordelen, vindt men al in de Digesten en werd in het vorige hoofdstuk daarom aangeduid als de Trajanusregel.1 Deze wordt tot op de dag van vandaag veelal2 onderschreven.3
Het principiële verzet van het retributivisme tegen de veroordeling van onschuldigen biedt daarvoor geen directe verklaring. De intrinsieke goedheid van bestraffing van schuldigen en de daarmee aan het individu te communiceren boodschap scheppen namelijk evenzeer de plicht tot bestraffing van daders. Beide plichten zijn absoluut. Welke plicht voorrang verdient, schrijft het retributivisme niet voor. Bijgevolg biedt het retributivisme alle grond voor de bescherming van onschuldigen, maar geen eenduidig antwoord op de vraag in hoeverre de effectiviteit van de reactie op de daden van schuldigen daaronder mag lijden.4
De meest prominente en ongekunstelde verklaring voor de Trajanusregel is dan ook dat de maatschappelijke disutiliteit van de veroordeling van een onschuldige in beginsel groter is dan de disutiliteit van de vrijspraak van schuldigen.5 Zowel in het concrete, individuele geval als voor het stelsel als geheel wegen de voordelen van de aanvaarding van een groter risico op onterechte veroordeling in de regel niet op tegen de nadelen. De meeste kosten die verbonden zijn aan de vrijspraak van een schuldige doen zich óók voor bij de veroordeling van een onschuldige. In veel gevallen loopt de daadwerkelijke dader nog vrij rond. Wanneer de ‘verkeerde’ voor een feit wordt veroordeeld, gaat een dader vrijuit en ontstaat het publieke gevoel dat daders van strafbare feiten daarmee weg kunnen komen, waardoor de criminaliteit mogelijk toeneemt. Maar daar komen bij de onterechte veroordeling van een onschuldige, de grote negatieve consequenties voor het desbetreffende individu en zijn omgeving nog bij. De onterecht veroordeelde verliest zijn vrijheid en/of eigendom en hij is voorwerp van stigmatisering en sociale afkeuring en uitsluiting. Deze consequenties moet hij zelf dragen, terwijl de schadelijke gevolgen van een onterechte vrijspraak meer over de samenleving verdeeld zijn.6 Gevangenisstraf is trouwens een prijzige aangelegenheid. Rizzolli & Saraceno wijzen er dan ook op dat vrijspraak bij twijfel de staatskas in tijden van bezuiniging een mooie meevaller oplevert.7 De baten van strafrechtelijke handhaving zijn intussen moeilijk meetbaar. Dát strafrechtelijke handhaving plaatsvindt, is in een moderne rechtsstaat beslist noodzakelijk, maar in hoeverre strafrechtelijk optreden in een concreet geval aan de veiligheid van de samenleving als geheel bijdraagt, is nauwelijks vast te stellen. Het strafrechtelijk stelsel als zodanig verliest bovendien door onterechte veroordelingen fors aan legitimiteit. De veroordeling van onschuldigen verkleint het vertrouwen in de overheid, kan burgers angst voor die overheid inboezemen en leidt tot rechtsonzekerheid omdat het gevoel ontstaat dat men geen controle heeft over het al dan niet in aanraking komen met het strafrecht.8
Ook vanuit niet-consequentialistisch perspectief is wel betoogd dat een verschil in morele laakbaarheid bestaat tussen het nalaten de schuldige te straffen en de bestraffing van onschuldigen.9 Ter onderbouwing van die intuïtie kan er bijvoorbeeld op worden gewezen dat de overheid met de onterechte veroordeling in zijn algemeenheid meer rechtstreeks kwaad doet aan een individu, dan met de niet-veroordeling van een schuldige. Het recht van een samenleving als zodanig om gevrijwaard te blijven van criminaliteit, wordt in de eerste plaats geschonden door de crimineel zelf. De staat heeft in dat geval slechts een afgeleide verantwoordelijkheid. De veroordeling van onschuldigen is echter de onmiddellijke verantwoordelijkheid van de overheid. Daaraan gerelateerd maar ervan ook te onderscheiden, is de zogenaamde handeling/omissiedoctrine. Anders dan een zuiver consequentialistische theorie zou voorschrijven, wordt het verrichten van een handeling met een ernstig negatief gevolg vaak als een groter kwaad ervaren dan het nalaten datzelfde gevolg te voorkomen. Zo kennen moord, doodslag en dood door schuld aanzienlijk hogere strafmaxima dan de maximale hechtenis van drie maanden die staat op het nalaten een in ogenblikkelijk levensgevaar verkerende hulpbehoevende de nodige hulp te verlenen (art. 450 Sr). De overheid die nalaat een dader op te sluiten waardoor zich een ernstig feit voltrekt, handelt daarom minder moreel verwerpelijk dan de overheid die ten onrechte een onschuldige opsluit. De aantrekkelijkheid van dit argument hangt sterk af van de rol die men de overheid toedicht.
Van Dijk heeft voorts laten zien dat ook Rawls’ theorie van rechtvaardigheid waardevolle gezichtspunten biedt, die helpen een scheve distributie van onjuiste bewijsbeslissingen te rechtvaardigen. In Rawls’ theorie van rechtvaardigheid moeten in een ‘originele toestand’ verkerende, rationele contractanten beslissen over de in een samenleving geldende beginselen. De crux is dat zij over hun eigen situatie in die samenleving volstrekt onwetend zijn. Zij bevinden zich achter een veil of ignorance. Zij kunnen arm of rijk zijn, man of vrouw en slachtoffer of verdachte van een strafbaar feit. De contractanten zullen volgens Van Dijk kiezen voor een strafrechtelijk systeem met een materieelrechtelijk schuldbeginsel (nulla poena sine culpa), omdat zij in staat willen zijn de onbenijdenswaardige positie van gestrafte te vermijden. Eenieder moet de kans hebben bestraffing te voorkomen. De afweging tussen de belangen van onschuldig gestraften en slachtoffers komt tot uitdrukking in het strafproces. De vrijheid en controle die het schuldbeginsel biedt, moeten verwezenlijkt worden, doordat de kans op veroordeling van een onschuldige klein is. Eén van de strafprocessuele rechten waarvoor de contractanten daarom zouden opteren is de bewijsdimensie van de onschuldpresumptie.10
Anders dan in bijvoorbeeld het burgerlijk recht, waarin niet kan worden gezegd dat een foute beslissing ten voordele van de eiser ipso facto negatiever of positiever is dan een foute beslissing ten voordele van de gedaagde, zijn er in het strafrecht redenen om het adagium ‘beter n (≥1) schuldigen vrijgesproken, dan één onschuldige veroordeeld’ te onderschrijven. Het straf(proces-) recht van in elk geval de meeste westerse landen onderscheidt zich dan ook van andere rechtsgebieden door een sterke voorkeur voor valsnegatieven boven valspositieven.11 Die voorkeur vormt de belangrijkste grondslag voor de bewijsdimensie van de onschuldpresumptie.