Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/III.4.1.1
III.4.1.1 Het voorkomen van onterechte veroordelingen
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS596276:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Canadees Supreme Court 28 februari 1986, 1 S.C.R. 103, 119-120 (R/Oakes).
Van Sliedregt 2009, p. 37.
Zie bijv. Tadros & Tierney 2004, p. 402; Roberts 2005, p. 188; Stumer 2010, p. 28-37; Hamer 2011, p. 420.
Er is (internationale) literatuur in overvloed over beide theorieën. Contrasteer bijvoorbeeld de Groningse oraties van Knigge 1988 en Van Veen 1969. Van Dijk (2008, p. 85-125) presenteert de diverse knelpunten van de belangrijkste theorieën op knappe, ook voor de niet filosofisch onderlegde jurist te begrijpen wijze.
Dworkin 1985, p. 72.
Dworkin 1985, p. 80.
Duff 2001.
Vgl. de verwijzingen bij Van Dijk 2008, p. 123.
Van Dijk 2008, p. 115-123.
Zo zal een strafrechtelijk stelsel waarin ook onschuldigen worden bestraft ertoe leiden dat het gezag van dat stelsel afbrokkelt. Wanneer het voor de toepassing van de strafwet niet beslissend is of men schuldig of onschuldig is, en bestraffing dus niet kan worden voorkomen door zich overeenkomstig de strafwet te gedragen, verliest die strafwet zijn preventieve werking.
Het meest uitgesproken is deze opvatting verdedigd door Lippke 2010 die zich nadrukkelijk afkeert van de heersende opvatting dat de onschuldpresumptie primair een mindere afkeuring van de vrijspraak van daders dan van de veroordeling van onschuldigen inhoudt. Het betoog overtuigt niet. Staten zouden volgens Lippke afzien van investeringen in politie en justitie als wij duidelijk zo’n sterke voorkeur hadden voor de vrijspraak van schuldigen. Dat betoog is niet alleen verre van nieuw (vgl. bijv. De Bosch Kemper 1865, p. 189 onder verwijzing naar Jeremy Bentham), maar getuigt mijns inziens van op zijn minst een te letterlijke en wellicht zelfs onjuiste uitleg van de tien-tegen-één-regel. Die regel betreft een vorm van retoriek die aanduidt dat de veroordeling van onschuldigen optimaal moet worden voorkomen, maar ook dat enig risico daarop niet is uit te sluiten en dat juist het grote belang bij effectief strafrechtelijk optreden dat onvermijdelijk maakt.
Ashworth 2006, p. 75; Lippke 2010; Gray 2012, p. 133.
Vgl. Stumer 2010, p. 34-35.
DeKay 1996, p. 97 en 131.
“An individual charged with a criminal offence faces grave social and personal consequences, including potential loss of physical liberty, subjection to social stigma and ostracism from the community, as well as other social, psychological and economic harms. In light of the gravity of these consequences, the presumption of innocence is crucial. It ensures that until the State proves an accused's guilt beyond all reasonable doubt, he or she is innocent. This is essential in a society committed to fairness and social justice.”1
Deze overweging van het Canadese Hooggerechtshof verwoordt één van de meest evidente en wezenlijke graadmeters voor een behoorlijk straf(proces-) recht. Zij die feitelijk de strafwet niet overtreden en dus materieel onschuldig zijn, behoren niet veroordeeld en gestraft te worden. De onschuldpresumptie is in de kern een verbod op dergelijke wrongful convictions, zo stelt bijvoorbeeld Van Sliedregt.2 Zij staat daarin verre van alleen.3 Tegen onterechte veroordelingen vormt de bewijsdimensie een essentiële waarborg.
De belangrijkste straftheorieën – het retributivisime en het utilitarisme – rechtvaardigen de oplegging van straf op ongelijksoortige wijzen.4 Eerstgenoemde theorie is retrospectief van aard en zoekt de gronden voor bestraffing in de vergelding van een in het verleden begane daad. Straf is het ‘verdiende loon’ van de dader. De tweede is prospectief en concentreert zich op de maximalisering van het totale toekomstige geluk dat van de straf uitgaat, bijvoorbeeld door de preventie van criminaliteit. Beide zien evenwel schuld aan een strafbaar feit, overtreding van een publiekrechtelijke norm, als belangrijke voorwaarde voor straf.
Het retributivisme verzet zich principieel tegen de bestraffing van onschuldigen. Straf is alleen dan gerechtvaardigd en geboden indien die straf is verdiend. Voor dat verdienen is een absoluut vereiste dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit. Dworkin noemt het “a profound right not to be convicted of crimes of which they are innocent”.5 Niet alleen de schade die de bestraffing teweegbrengt maar ook de onjuistheid van die veroordeling is op zichzelf een “moral harm”.6 Duff ziet de straf als een vorm van morele communicatie met de veroordeelde. Daders moeten als verantwoordelijke moral agents worden overtuigd tot inkeer te komen. Bestraffing moet daarom de juiste mate van afkeuring tot uitdrukking brengen.7 Zonder strafbaar feit is voor de vergeldende rechtvaardiging van straf geen plaats.
Het utilitaristisch verzet tegen de doelbewuste bestraffing van onschuldigen is minder principieel. Sommigen beschouwen dat als het onomstotelijk bewijs van de onbruikbaarheid van het utilitarisme.8 Utilitaristen trachten die kritiek op diverse wijzen te pareren. Van Dijk bespreekt er vier in zijn proefschrift.9 De eerste twee betwisten dat utilitarisme zich niet verzet tegen bestraffing van onschuldigen. Ten eerste is de veroordeling van een onschuldige vrijwel altijd disutilitair. Het aan het begin van deze subparagraaf opgenomen citaat illustreert deels waarom. Ten tweede, indien men de aandacht verlegt van de rechtvaardiging van een concrete bestraffingshandeling naar de rechtvaardiging van een stelsel van bestraffing als geheel, dan verliest het verwijt dat utilitarisme zich niet verzet tegen bestraffing van onschuldigen verder aan kracht. Een stelsel waarin met enige regelmaat bestraffing van onschuldigen voorkomt, is zonder meer disutilitair, terwijl de rechtvaardiging van een concrete bestraffingshandeling alleen kan plaatshebben binnen de grenzen van een bepaald punitief stelsel.10 De derde verdediging is een tu quoque-argument. Ook de retributivist zal zich in een realistisch en dus feilbaar systeem schuldig maken aan de bestraffing van onschuldigen, maar dan zonder rechtvaardiging. Het laatste argument is wellicht het meest fundamenteel: Waarom moet utiliteit te allen tijde wijken voor rechtvaardigheid? Als de omstandigheden maar extreem genoeg zijn, zal uiteindelijk ook de Kantiaan zich moeten overgeven aan consequentialistische overwegingen.
De retributieve positie en de verdediging van de utilitarist maken duidelijk wat ook het rechtsgevoel ingeeft: de bestraffing van onschuldigen is onrechtvaardig, leidt tot een minder aangename samenleving en maximalisering van het gemeenschappelijk geluk zal zich daartegen in het algemeen verzetten. Dat maakt van de bescherming van onschuldigen een hoogwaardig doel voor zowel retributivisten als utilitaristen. Voor zover dat doel bereikbaar is zonder dat daar een grote onrechtvaardigheid of onevenredig hoge kosten tegenover staan, zal zowel de utilitarist als de retributivist zich daarin kunnen vinden.
In de literatuur is wel verdedigd dat die kosten er inderdaad niet zijn. De bewijsdimensie van de onschuldpresumptie zou bijdragen aan de algehele foutreductie van beslissingen over de strafbaarheid van de verdachte.11 De strafprocedure zou namelijk zonder asymmetrische bewijsregels een neiging hebben valspositieven eenvoudiger te genereren dan valsnegatieven. Daartoe is onder andere gewezen op het stigmatiserende effect van een aanklacht, de menselijke neiging tot confirmation bias, de grote mate waarin de wettelijke bevoegdheden tot informatievergaring, alsook de financiële en kennisbronnen, van het opsporingsapparaat die van de verdediging overstijgen en de politieke en organisationele druk op politie en justitie om toch vooral tot afstraffing van delicten te komen.12 Bovendien zal het belangrijkste ontlastende bewijs, de ontkennende verklaring van de verdachte, uit de aard der zaak met een zekere argwaan tegemoet worden getreden.13 Voor de verdachte is het derhalve aanzienlijk moeilijker zijn stellingen grond onder de voeten te verschaffen. De onschuldpresumptie heeft zodoende een compenserend effect en draagt door een scheve foutdistributie per saldo bij aan reductie van onjuiste uitkomsten, zo is de gedachte. Zou deze stelling juist zijn, dan zouden utilitarisme en retributivisme het vermoeden van onschuld zonder meer onderschrijven.
Zo dit al juist is en de bewijsdimensie haar rechtvaardiging vindt in de gedachte dat daarmee de minste onjuiste bewijsbeslissingen worden genomen, dan nog zou daarnaast een lichtere bewijsmaatstaf beschikbaar zijn waarmee meer daders worden bestraft met als neveneffect meer onterechte veroordelingen. Een bewijsmaatstaf schrijft voor bij welke hoeveelheid schijnbare schuld, moet worden veroordeeld. “Higher standards of proof lead to more erroneous acquittals and fewer erroneous convictions, all else being equal.”14 De keuze voor een bepaalde bewijsmaatstaf is derhalve een instrument van foutdistributie, niet zozeer van foutreductie. Dit sluit niet uit dat de regel dat de overheid schuld beyond reasonable doubt moet bewijzen inderdaad is ingegeven doordat met deze maatstaf de minste onjuiste beslissingen genomen worden, maar erg waarschijnlijk is het niet. Naarmate de voorgeschreven waarschijnlijkheidsdrempel voor veroordelingen hoger ligt, is er meer wantrouwen voor nodig in het vermogen van de strafprocedure te discrimineren tussen schuldigen en onschuldigen om vol te houden dat die maatstaf niet aan één van beide fouttypen de voorkeur geeft.