Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/III.4.2
III.4.2 Bescherming en bevordering van de rechtsstaatidee
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS599785:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Stumer 2010, p. 37-40; Lee 2011, p. 399; Hock Lai Ho 2012, p. 277 e.v.; Stewart 2014, p. 408-410. Sceptisch hiertegenover staat Hamer 2011, p. 420-422. Hamer richt zijn kritiek vooral op de bespreking van die tweede grondslag door Stumer. Hamer kan worden toegegeven dat de tweede grondslag bij Stumer nogal sterk een doublure lijkt van de eerste grondslag. Hetgeen in deze paragraaf wordt verdedigd sluit echter maar in beperkte mate aan op het vertoog van Stumer.
De rechtsstaatgedachte hangt nauw samen met of omvat zelfs de principes van democratie, machtenscheiding, onafhankelijke rechterlijke controle en het bestaan van klassieke grondrechten, zie Burkens e.a. 2012, p. 41 e.v.; Kortmann/Bovend’Eert 2012, p. 46-50; Van der Pot/Elzinga & De Lange 2014, p. 179. Het moge duidelijk zijn dat het mij hier gaat om een beperkt aspect van die ruime definities.
Al zien de meeste auteurs in dat beginsel de hier minder relevante, nadere eis dat de handeling is terug te voeren op een uiteindelijk in de (grond)wet aan een overheidsorgaan geattribueerde bevoegdheid. Zie het overzicht in Voermans 2011, p. 7-10.
Voermans (2011, p. 14-26) bespreekt uitgebreid deze ‘vlekwerking’ van het oorspronkelijk in Nederland alleen voor bestraffing geldende legaliteitsbeginsel.
Groenhuijsen bespreekt in zijn oratie (1987, p. 25-31) bovendien diverse aanvullende argumenten voor het strafrechtelijke legaliteitsbeginsel die niet alle even goed toepasbaar zijn op een bredere constitutionele legaliteitseis. Wel van toepassing lijken me de in de hoofdtekst reeds genoemde vrijheid, rechtszekerheid en bescherming tegen willekeur. Vooral de gedachte dat de burger moet (kunnen) weten wat hij wel en niet mag doen teneinde zijn gedrag daarop te kunnen aanpassen en zo aan de greep van het strafrecht te ontkomen, die ten grondslag ligt aan de argumenten die Groenhuijsen aanduidt als het schuldgezichtspunt, het wetsbegrip en het mensbeeld van de homo economicus, lijken mij niet zonder meer grond voor een breder legaliteitsbeginsel in bijvoorbeeld bestuursrecht en het strafprocesrecht.
Zie daarover nader Simmelink 1987, p. 31 e.v.; Cleiren 1992, i.h.b. p. 9-12.
Vgl. o.a. Nijboer 1989, p. 392; Dane 2009, p. 419.
Daarover is kritisch Stolwijk 2007 die de vrijspraak op basis van de onschuldpresumptie wil beschouwen als een vaststelling van onschuld.
Aldus ook Knigge 2010. Zo begrijp ik ook Stevens 2017, p. 9 die in haar onderzoek naar wat zij noemt onterechte vrijspraken nagaat of sprake was van de “normatief-juridisch vereiste mate van zekerheid”. Een vrijspraak is in dat perspectief niet onterecht als de vrijgsprokene het wel heeft gedaan, maar alleen als de voor veroordeling te verlangen mate van waarschijnlijkheid ook is bereikt.
Stumer 2010, p. 18 met verwijzing naar uitspraken van hoogste rechters in Engeland, Canada, Zuid-Afrika en Ierland.
De hoogste rechter van Namibië acht dat het eerste aspect van de onschuldpresumptie: “The State has the duty to begin. It has to make out a case against the accused before he needs to respond, whether by testifying, adducing evidence or otherwise.” Geciteerd uit Schwikkard 1998, p. 398.
Amerikaans Supreme Court, 7 juni 1943, 319 U.S. 463, 469 (Tot/United States).
Bescherming en bevordering van de rechtsstaatidee vormen een tweede ratio voor de bewijsdimensie van de onschuldpresumptie.1 Het begrip rechtsstaat is tamelijk diffuus, maar in de hier relevante kern gaat het er volgens mij om dat het recht de macht van de overheid reguleert en dat de overheid zich aan dat recht gebonden weet.2 Deze op burgerlijke vrijheid, rechtszekerheid en bescherming tegen willekeur te stoelen idee houdt nauw verband met het legaliteitsbeginsel. In breed, constitutioneel perspectief houdt dit beginsel in dat alle dwingende, vrijheden beperkende, overheidsbemoeienis een wettelijke grondslag moet hebben.3 Dat rechtsstatelijke idee is het gevolg van de ‘vlekwerking’ van een strafrechtelijk legaliteitsbeginsel.4 Het verbaast niet dat juist in het materiële strafrecht het legaliteitsbeginsel van oudsher sterk is beklemtoond en daaraan nadere eisen zijn gesteld. Het strafrecht betreft immers dwingend recht bij uitstek.5 Het legaliteitsbeginsel in brede zin, waaronder ook het strafvorderlijk legaliteitsbeginsel is te scharen,6 en de daarachter schuilende beginselen van vrijheid, rechtszekerheid en verboden willekeur, maken een belangrijk kenmerk van de klassiek-liberale rechtsstaat duidelijk: de staat mag alleen ingrijpen in het leven van burgers wanneer aan de daarvoor bestaande, vooraf bepaalde voorwaarden is voldaan. Optreden is ontoelaatbaar tenzij daartoe bevoegdheid bestaat. Niet-optreden is uitgangspunt. Voor niet-optreden hoeft geen wettelijke grondslag te bestaan. Zou dit andersom zijn, zou de overheid volledig vrij zijn de burgerlijke vrijheden van haar ingezetenen aan te tasten tenzij de wet beperkingen stelt, dan zou de burger aan rechtsonzekerheid en de willekeur van de overheid zijn overgeleverd.
De gronden en voorwaarden voor bestraffing zijn op grond van het strafrechtelijk legaliteitsbeginsel steeds te vinden in het materiële strafrecht. De legitimiteit van het overheidsingrijpen staat of valt echter niet alleen met het bestaan van redelijke voorwaarden voor bestraffing, maar is ook afhankelijk van de materiële verwezenlijking van die voorwaarden in het concrete geval. Die verwezenlijking moet manifest zijn en staat daarom in het strafproces centraal. De vraag is daarin steeds aan de orde of de overheid een recht tot ingrijpen heeft verworven. De legitimiteit van ingrijpend overheidsoptreden is alleen gewaarborgd wanneer de vervulling van de daarvoor geldende voorwaarden – bij voorkeur in het openbaar – wordt gedemonstreerd. De waarheidsvinding is om die reden in het strafrecht als ‘asymmetrisch’ of ‘scheef’ te karakteriseren.7 Het gaat daarbij steeds om de schuld van de verdachte, terwijl de rol van onschuld in het strafproces marginaal is.8 Niet alleen teneinde veroordeling van onschuldigen te voorkomen is de vrijspraak het noodzakelijke gevolg van twijfel omtrent de schuld van de verdachte. De vrijspraak van de in werkelijkheid schuldige bij onvoldoende bewijs vloeit ook voort uit de algemene, rechtsstatelijke verhoudingen tussen overheid en burger en is op die manier het (juiste) resultaat van een wens tot ingrijpend optreden waarvoor een rechtmatige grondslag niet manifest is geworden. Zo bezien is een strafproces niet mislukt als bij gebrek aan bewijs moet worden vrijgesproken.9 Voor bestraffend overheidsoptreden is een bijzondere legitimatie nodig, die zich niet alleen in het recht, maar ook in de feiten voldoende behoort af te tekenen. De bewijsdimensie waarborgt dat.
Deze grondslag heeft aanvullende betekenis naast het belang niet te komen tot onterechte veroordelingen. Ten eerste verklaart deze dat ook ten aanzien van in werkelijkheid schuldigen de bewijsdimensie in acht moet worden genomen. Daarnaast verzet de rechtsstaatgedachte zich – anders dan de eerste grondslag – in beginsel niet alleen tegen een op de verdachte rustende plicht het ontbreken van een strafbaarheidsvoorwaarde te bewijzen en ertegen hem bij twijfel daaromtrent te veroordelen. Ook een op hem rustende verplichting omtrent een strafbaarheidsvoorwaarde twijfel te zaaien, om het als een probleem op te werpen zogezegd, staat daarmee op gespannen voet. Laatstgenoemde ‘pure’ bewijsvoeringslast leidt niet tot een groot risico op onterechte veroordelingen. Immers wordt bij redelijke twijfel omtrent de schuld van de verdachte ‘gewoon’ vrijgesproken. Reeds werd opgemerkt dat om die reden in de jurisprudentie van diverse common law jurisdicties een evidential burden met de onschuldpresumptie niet botst.10 Zou echter na dagvaarding op de verdachte steeds de verplichting rusten omtrent de tenlastelegging twijfel te zaaien voordat van het Openbaar Ministerie iets wordt verlangd, dan conflicteert dat met bovengenoemde eis van rechtsstatelijkheid. De Staat heeft een duty to begin.11 Het Amerikaanse Hooggerechtshof overwoog daarover in Tot/United States:
“[...] In every criminal case, the defendant has at least an equal familiarity with the facts, and, in most, a greater familiarity with them, than the prosecution. It might, therefore, be argued that to place upon all defendants in criminal cases the [evidential burden] would be proper. But the argument proves too much. If it were sound, the legislature might validly command that the finding of an indictment, or mere proof of the identity of the accused, should create a presumption of the existence of all the facts essential to guilt. This is not permissible.”12
De aanname dat verdachten en hun raadslieden zullen aanvoeren wat in het belang van de verdediging moet worden aangevoerd, is adversariële strafrechtsstelsels niet vreemd. Dat tekortschieten daarin tot een onterechte veroordeling kan leiden, is dan ook op zichzelf niet de reden om een bewijsvoeringslast ontoelaatbaar te achten. De onschuldpresumptie vergt evenwel ook dat de Staat zijn recht tot ingrijpen tot op zekere hoogte demonstreert voordat van de verdachte een zekere tegenspraak mag worden gevergd. Naarmate meer is aangetoond, lijkt effectieve participatie van de verdachte teneinde zich van aansprakelijkheid te bevrijden in dat perspectief steeds iets minder problematisch.