Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/V.8.3.1
V.8.3.1 Presumptions of fact or of law
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS595138:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie o.a. EHRM 19 oktober 2004, nr. 66273/01, dec. (Falk/Nederland) EHRM 5 juli 2001, nr. 41087/98, par. 40 (Phillips/Verenigd Koninkrijk); EHRM 23 juli 2002, nr. 34619/97 (Janosevic/Zweden); EHRM 19 oktober 2004, nr. 66273/01, dec., NJ 2005, 429, NJCM-bull. 2005, p. 437-443, m.nt. Van Kempen; EHRM 23 september 2008, nrs. 19955/05 en 15085/06, par. 40 (Grayson en Barnham/Verenigd Koninkrijk); EHRM 18 maart 2010, nr. 13201/05, par. 34 (Krumpholz/Oostenrijk).
Bijv. EHRM 7 oktober 1988, nr. 10519/83, NJ 1991, 351, m.nt. Alkema (Salabiaku/Frankrijk); ECieRM 12 april 1996, nr. 28236/95, dec. (Bocos Rodriguez/Spanje); EHRM 23 juli 2002, nr. 34619/97, par. 101 (Janosevic/Zweden); EHRM 23 juli 2002, nr. 36985/97, par. 113 (Vastberga taxi aktiebolag en Vulic/Zweden); EHRM 30 maart 2004, nr. 53984/00, par. 24 (Radio France e.a./Frankrijk). EHRM 30 juni 2011, nr. 30754/03, EHRC 2011/134, m.nt. Witteman, par. 41 (Klouvi/Frankrijk); EHRM 8 januari 2013, nrs. 43759/10, 43771/12, dec., par. 96 (Willcox en Hurford/Verenigd Koninkrijk); EHRM 23 februari 2016, nrs. 46632/13, 28671/14, par. 98 (Navalnyy en Ofitserov/Rusland).
Zie over vermoedens in het algemeen hiervoor reeds § IV.2.1 en IV.2.2.
Zie bijv. ECieRM 10 december 1991, nr. 16641/90, dec. (A.G./Malta); EHRM 18 januari 2000, nr. 49226/99, dec. (De Arriz Porras/Nederland); EHRM 23 juli 2002, nr. 34619/97, par. 100 (Janosevic/Zweden); EHRM 23 juli 2002, nr. 36985/97, par. 112 (Vastberga taxi aktiebolag en Vulic/Zweden).
EHRM 10 november 2009, nr. 7618/07, dec. (Minhas/Verenigd Koninkrijk); EHRM 6 mei 2014, nr. 38759/12, dec. (Young/Verenigd Koninkrijk). Zie daarover hiervoor § V.5.
Zie § V.4.
EHRM 12 december 2002, nr. 57981/00, dec. (Selvanayagam/Verenigd Koninkrijk); EHRM 30 juni 2011, nr. 30754/03, EHRC 2011/134, m.nt. Witteman (Klouvi/Frankrijk).
Zie ook § IV.2.2.
Zie daarover § IV.2.1 en IV.2.2.
Zie Stumer 2010, p. 104, met nadere verwijzing.
Volgens de ECieRM was een presumption of fact aan de orde in ECieRM 16 januari 1996, nr. 26279/95, dec. (Brock/Verenigd Koninkrijk) en ECieRM 16 januari 1996, nr. 26280/95, dec. (Bates/Verenigd Koninkrijk). Het ging daarin om een wettelijk en dwingend vermoeden dat een hond een pitbull terrier is, tenzij de verdediging het tegendeel bewijst. Zie voor een presumption of law EHRM 12 december 2002, nr. 57981/00, dec. (Selvanayagam/ Verenigd Koninkrijk), waarin sprake was van een onweerlegbaar wettelijk vermoeden dat gedragingen in strijd met een rechterlijk bevel als onredelijk zijn aan te merken.
In tegenstelling tot het VN Mensenrechtencomité heeft het EHRM zich veelvuldig uitgesproken over verschuivingen van het bewijsrisico en/of de bewijsvoeringslast. Die verschuivingen stuiten niet noodzakelijk op bezwaren. Het gebruik van vermoedens die de bewijslast verschuiven is geoorloofd:
“A person's right in a criminal case to be presumed innocent and to require the prosecution to bear the onus of proving the allegations against him or her is not absolute, since presumptions of fact or of law operate in every criminal-law system and are not prohibited in principle by the Convention.”1
Geheel onverschillig staat artikel 6 lid 2 EVRM echter uiteraard niet tegenover die vermoedens. Het EVRM gebiedt de lidstaten bij het gebruik van vermoedens binnen reasonable limits te blijven, “which take into account the importance of what is at stake and maintain the rights of the defence”.2
Dit globale toetsingskader roept ten eerste de vraag op wanneer van een presumption of fact or law sprake is. Vermoedens zijn er in allerlei verschijningsvormen en zij vervullen niet altijd dezelfde functies. Zo zijn er vermoedens voor de weerlegging waarvan tegenbewijs volstaat en vermoedens die tegendeelbewijs vergen, wettelijke en rechterlijke, discretionaire en obligatoire en weerlegbare en onweerlegbare vermoedens. Zij hebben met elkaar gemeen dat vervulling van een strafbaarheidsvoorwaarde wordt aangenomen, niet op basis van rechtstreeks bewijs van die voorwaarde, maar op basis van een aanname uit een ander feit.3
Het EHRM geeft zelf geen definitie van vermoedens, maar enkele algemene richtinggevende constateringen zijn op basis van de rechtspraak wel mogelijk. Zo blijkt onder meer dat het vermoeden niet steeds als zodanig in het nationale recht hoeft te worden herkend en benoemd. Waar aan de beschuldigde wordt opgedragen de afwezigheid van een aspect van het strafbaar feit aan te voeren of zelfs te bewijzen, zien de Straatsburgse instanties daarin een vermoeden van vervulling van dat vereiste.4 Zie ik het goed dan valt aldus ook de aanname dat een defence niet opgaat onder de vermoedens.5 In paragraaf 4 bleek reeds dat het Hof soms ook het bestaan van een presumptie aanneemt of een gang van zaken daaraan gelijkstelt, ofschoon het nationale recht deze strafbaarheidsvoorwaarde niet vermoedt, maar eenvoudigweg niet kent. Dat is het geval wanneer de vastgestelde feiten de toerekening van het strafbare feit aan de betrokkene niet zonder meer kunnen dragen (en dus eerder sprake lijkt van een soort risico-aansprakelijkheid).6 Daarnaast beoordeelt het Hof zowel weerlegbare als onweerlegbare vermoedens onder diens reasonable limits-toets.7 Dat ook onweerlegbare vermoedens binnen het bereik van het onschuldvermoeden vallen, is niet vanzelfsprekend, nu zij de bewijslast niet verschuiven of omkeren, maar meer weg hebben van een materieelrechtelijke regel. Zij verlichten echter wel de bewijslast van de vervolgende instantie.8
Ten slotte definieert het Hof niet nader wat is bedoeld met het onderscheid tussen presumptions of fact en presumptions of law. Van oudsher wordt met een feitelijk vermoeden, ook wel een praesumptio hominis genoemd, gedoeld op een rechterlijke gedachtensprong, terwijl een juridisch rechtsvermoeden (praesumptio iuris) een algemener, in wet of vaste rechtspraak voorgeschreven vermoeden betreft.9 In een andere lezing zijn presumptions of law dwingend en is het gebruik van presumptions of fact aan de discretie van de rechter overgelaten.10 Enkele arresten suggereren dat de Straatsburgse organen het onderscheid tussen beide nog weer in een andere factor zoeken, al is mij onduidelijk in welke.11 Uiteindelijk is het vermoedelijk niet zo relevant nu beide binnen redelijke grenzen moeten blijven en het Hof aan dat onderscheid bij de beoordeling of dat het geval is geen belang lijkt te hechten.