Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/V.8.3.4
V.8.3.4 Reasonable limits III: de ondergrens
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS599802:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Tenzij men bereid is uit de argumenten vóór toelaatbaarheid van een vermoeden af te leiden dat het tegendeel ook steeds een belangrijk argument tegen het vermoeden zou vormen. Dat acht ik te riskant. Zo komt bijvoorbeeld Borgers (2001, p. 323 e.v.) tot enkele vuistregels. Het bewijsrisico zou bijvoorbeeld steeds bij de vervolgende instantie moeten liggen, zo leidt hij af uit arresten waarin het EHRM verschuiving van de bewijsvoeringslast toelaatbaar achtte. In het bovenstaande kwamen echter meerdere uitspraken aan bod waarin de Straatsburgse instanties accepteerden dat het bewijsrisico naar de verdachte was verschoven.
EHRM 1 maart 2007, nr. 30810/03, NJ 2007, 349, m.nt. Borgers (Geerings/Nederland). Zie voor bespreking van dat arrest § VI.9.
Maar vgl. ook EHRM 3 april 2012, nr. 23470/05 (Nicoleta Gheorghe/Roemenië). Indien betrokkene de feiten niet met klem ontkent en de mogelijkheden tot ontkrachting van het vermoeden onvoldoende serieus benut, is ook in dit Roemeense systeem geen sprake van schending.
EHRM 12 december 2002, nr. 57981/00, dec. (Selvanayagam/Verenigd Koninkrijk); EHRM 30 juni 2011, nr. 30754/03, EHRC 2011/134, m.nt. Witteman (Klouvi/Frankrijk).
In de vorige subparagraaf kwamen diverse redenen aan bod om bewijslastverschuivingen toe te staan, maar is ook een ondergrens aanwijsbaar? Geen duidelijke.1 Een weerlegbaar vermoeden is slechts tweemaal in strijd geacht met artikel 6 lid 2 EVRM. De ene zaak was Geerings/Nederland. Dat betrof een ontnemingszaak waarin de oordelen over bewijs- en behandelingsdimensie dermate met elkaar verstrengeld waren dat daaruit geen algemene regels over de verschuiving van de bewijslast zijn af te leiden.2 In de andere zaak, Anghel/Roemenië, had de klager ter griffie van een rechtbank een woordenwisseling gehad met één van de daar werkzame ambtenaren. Deze ambtenaar deed ter plaatse aan een aanwezige politieambtenaar haar beklag over door de verdachte gebezigde beledigende en vulgaire taal. De politieagent legde de verdachte daarop een geldboete op. De verdachte wendde zich tot de rechter. In rechte gold als uitgangspunt dat het op basis van het adagium ‘wie stelt moet bewijzen’ aan de verdachte was de onjuistheid van de boete aan te tonen. Ter terechtzitting persisteerden aangeefster en een collega in hun belastende verklaringen. Klager hield vol dat het een discussie op beleefde toon was geweest. Eén getuige à décharge bevestigde dat. De Roemeense rechter concludeerde in twee instanties dat de schuld van de verdachte voldoende was komen vast te staan, zonder daarbij aan te geven waarom de getuigen à charge wel en de getuigen à décharge niet geloofwaardig waren. Daarmee was artikel 6 lid 2 EVRM onvoldoende gerespecteerd. De grens lijkt derhalve bereikt waar de verdachte de gehele tenlastelegging dient te ontkrachten en zijn alternatief zelfs moet bewijzen, waarbij het tevens om een twijfelgeval moet gaan waarin ook daadwerkelijk ten nadele van de verdachte wordt beslist.3
Daarnaast zijn onweerlegbare vermoedens niet onder alle omstandigheden toelaatbaar. In Selvanayagam/Verenigd Koninkrijk bleef een dergelijk vermoeden binnen redelijke grenzen, maar minder begrip bestond voor het Franse recht dat aan de orde kwam in Klouvi/Frankrijk.4 Klouvi had tegen haar voormalig leidinggevende aangifte gedaan van verkrachting en aanranding. Na langdurig onderzoek besloot de rechter-commissaris tot beëindiging van de vervolging wegens onvoldoende verdenking. Klouvi werd zelf vervolgd voor het doen van aangifte wetende dat deze geheel of gedeeltelijk onwaar is. Het Franse recht kende een voor een dergelijk geval relevante, onweerlegbare aanname: uit een bevel tot niet-verdere vervolging vloeide volgens de wet onweerlegbaar voort dat de aangifte onwaar was. De rechter hanteerde dit vermoeden en leidde uit de aldus vastgestelde ‘onwaarheid’ bovendien “quasi-automatisch” af dat de klaagster opzet op die onwaarheid moet hebben gehad, aangezien zij van de onjuistheid van de beschuldiging op de hoogte moet zijn geweest. De grootte van de ‘sprong’ tussen bewezen (niet voldoende aanwijzingen om voor een zedendelict te vervolgen) en aangenomen feiten (valse aangifte), het belang van die aangenomen feiten voor de strafwaardigheid van het delict, en het gebrek aan serieuze verdedigingsmogelijkheden, maakten dat het Franse recht in Klouvi ernstig tekort schoot. De valsheid van de aangifte en de opzet op die valsheid vormen de kern van het delict. Daardoor was er na de beëindiging van de strafzaak tegen Klouvi’s leidinggevende voor Klouvi nauwelijks nog verdediging mogelijk. Aan het vermoeden werd bovendien strak de hand gehouden; elke poging van de verdachte om de waarheid van haar aangifte en de onjuistheid van het vermoeden aan te tonen was resoluut van de hand gewezen. Dat het daarnaast om een delict met een maximale gevangenisstraf van vijf jaar ging, noemt het EHRM niet, maar spreekt in het licht van het toetsingsschema van het Hof eveneens niet in het voordeel van Frankrijk.