Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/V.2
V.2 Inleiding
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS593967:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Hfdst. III, i.h.b. § 3.3.
EHRM (GK) 12 juli 2013, nr. 25424/09, EHRC 2013, 219, m.nt. Bemelmans, par. 94 (Allen/Verenigd Koninkrijk).
Zie o.a. EHRM 7 oktober 1988, nr. 10519/83, NJ 1991, 351, par. 28, m.nt. Alkema (Salabiaku/Frankrijk); EHRM 29 augustus 1997, nr. 19958/92, par. 48 (A.P., M.P. en T.P./Zwitserland) en EHRM 29 augustus 1997, nr. 20919/92 (E.L., R.L. en J.O.-L./Zwitserland); EHRM 29 oktober 2013, nr. 17475/09, EHRC 2014/33, m.nt. Mols, par. 69 (Varvara/Italië).
Zie o.a. EHRM (GK) 17 december 1996, nr. 19187/91, NJ 1997, 699, m.nt. Knigge, par. 68 (Saunders/Verenigd Koninkrijk); EHRM 21 december 2000, nr. 34720/97, par. 40 (Heaney en McGuinness/Ierland); EHRM (GK) 11 juli 2006, nr. 54810/10, NJ 2007, 226, m.nt. Schalken, par. 100 (Jalloh/Duitsland); EHRM (GK) 1 juni 2010, nr. 22978/05, NJ 2010, 628, par. 162 (Gäfgen/Duitsland); EHRM (GK) 13 september 2016, nr. 50541/08, par. 266 (Ibrahim e.a./Verenigd Koninkrijk).
Zie hiervoor § III.5.2 en 5.3.
In hoofdstuk III bleek dat de verschillende met uitleg van de onschuldpresumptie in het internationale recht belaste organen de werking daarvan in de sfeer van het bewijsrecht erkennen. Uit de aldaar geciteerde standaardoverwegingen uit de rechtspraak van de ECieRM, het EHRM en het HvJ en de zienswijzen van het VN Mensenrechtencomité alsook uit de tekst van de richtlijn, bleken meerdere, concretere normen te destilleren. De bewijsdimensie brengt mee dat de rechter de schuld van de verdachte louter uit het geleverde bewijs mag afleiden en niet op voorhand mag aannemen, dat het bewijsrisico en de bewijsvoeringslast in beginsel bij de overheid rusten, en dat het bewijs de schuld van de verdachte buiten redelijke twijfel moet stellen.1
Voor deze met elkaar interacterende normen zijn meerdere grondslagen aanwijsbaar. De belangrijkste is het voorkomen van de veroordeling van onschuldigen, maar de bewijsdimensie draagt tevens bij aan de rechtsstatelijke verhouding tussen de overheid en een verdachte burger. De op de onschuldpresumptie gebaseerde inrichting van het strafproces faciliteert voorts het functioneren van het zwijgrecht en nemo-teneturbeginsel. Vooral in de rechtspraak van het EHRM zijn die grondslagen zo nu en dan te herkennen. De Grote Kamer van het EHRM rekent de bewijsdimensie van de onschuldpresumptie in zijn geheel tot het trial-aspect van de presumptie van onschuld, dat tot doel heeft te voorkomen dat een “unfair criminal conviction” tot stand komt.2 Dat de bewijsdimensie door voor veroordeling steeds schuldbewijs te verlangen en daaraan autonome eisen te stellen, ook de rule of law beschermt, heeft het EHRM eveneens meermaals bevestigd.3 Het Hof ziet ten slotte een nauw verband tussen de bewijsdimensie en het nemo-teneturbeginsel. Dat laatste beginsel veronderstelt dat op de overheid de bewijslast rust en dat deze tracht de schuld van de verdachte te bewijzen. In dit opzicht acht het Hof het nemo-teneturbeginsel en de (bewijsdimensie van de) onschuldpresumptie met reden nauw samenhangende rechten.4
In het vervolg van dit hoofdstuk zal de positiefrechtelijke uitwerking van de bewijsdimensie in voornamelijk de Straatsburgse rechtspraak, maar ook in de jurisprudentie van het VN Mensenrechtencomité en in het EU-recht aan de orde komen. In paragraaf 3 bespreek ik eerst het toepassingsbereik van de op de onschuldpresumptie gerichte bepalingen, voor zover van belang voor de bewijsdimensie. Die paragraaf is voor hoofdstuk VI ook relevant. Vervolgens komen in paragrafen 4 en 5 de twee in hoofdstuk III geschetste dilemma’s omtrent de reikwijdte van de bewijsdimensie aan bod.5 Ten eerste de vraag of de onschuldpresumptie aan het materiële recht eisen stelt en daarna op welke feitelijkheden de bewijsdimensie betrekking heeft. Vervolgens komen de in de bewijsdimensie besloten liggende normen aan de orde. Eerst de rechterlijke plicht het bewijs zonder vooringenomenheid te waarderen (§ 6), vervolgens de daarbij toepasselijke bewijsmaatstaf (§ 7) en in paragraaf 8 sta ik stil bij de bewijslastverdeling en de toelaatbaarheid van verschuivingen in die verdeling.