Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/V.7
V.7 Bewijsmaatstaf
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS597481:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie daarover eerder § II.10.2.
Zie General Comment 1984/13, par. 7; General Comment 2007/32, par. 30. Zie voorts o.a. CRM 10 maart 2010, nr. 1520/2006, par 6.5 (Mwamba/Zambia); CRM 27 juli 2010, nr. 1870/2009, par. 7.3. (Sobhraj/Nepal); CRM 21 oktober 2014, nr. 1773/2008, par. 9.8 (Kozulina/Wit-Rusland).
ECieRM 30 maart 1963, nr. 788/60, rep., par. 179 (Oostenrijk/Italië-Pfunders); ECieRM 11 oktober 1984, nr. 9120/80, rep., par. 96 (Unterpertinger/Oostenrijk).
ECieRM 9 april 1997, nr. 24838/94, rep., par. 71 (Steel e.a./Verenigd Koninkrijk).
Zie o.a. EHRM 6 december 1988, nr. 10590/83, par. 77(Barberà, Messegué en Jabardo/ Spanje); EHRM 10 januari 2002, nr. 67128/01, dec. (Hudson/Macedonië); EHRM 23 juli 2002, nr. 34619/97, par. 97 (Janosevic/Zweden); EHRM 28 november 2002, nr. 58442/00, par. 125 (Lavents/Letland); EHRM 14 februari 2006, nr. 53434/99, dec. (Paulow/Finland); EHRM 7 november 2006, nr. 30649/05, par. 99 (Holomiov/Moldavië);EHRM 7 juni 2007, nr. 20289/02, par. 46 (Gutu/Moldavië); EHRM 13 december 2011, nr. 20883/09, par. 35 (Ajdaric/Kroatië); EHRM 12 mei 2016, nr. 26711/07, par. 64 (Poletan en Azirovik/Macedonië).
Zie o.a. EHRM 27 september 2007, nr. 35522/04, par. 39 (Vassilios Stavropoulos/Griekenland); EHRM 15 januari 2015, nr. 48144/09, par. 52 (Cleve/Duitsland).
Zie o.a. EHRM 20 maart 2001, nr. 33501/96, par. 15 (Telfner/Oostenrijk); EHRM 10 januari 2002, nr. 67128/01, dec. (Hudson/Macedonië); EHRM 5 maart 2002, nrs. 61281/00 en 61341/00, dec. (Mendez Gutierrez en Pindado Martinez/Spanje); EHRM 2 juni 2005, nr. 50372/99, par. 25 (Goktepe/België); EHRM 8 juni 2006, nr. 26186/02, dec. (Hesse/Oostenrijk); EHRM 24 juli 2008, nr. 35450/04, par. 48 (Melich en Beck/Tsjechië); EHRM 31 maart 2009, nr. 21022/04, par. 53 (Natunen/Finland); EHRM 7 april 2009, nrs. 76800/01 en 76801/01, dec. (Cesky en Kotik/Tsjechië). Zie ook CRM 25 maart 1983, nr. 16/1977, par. 15 (Mbenge/Zaïre); CRM 8 november 1989, nr. 290/1988, par. 8.2 (A.W./Jamaica); CRM 22 maart 1991, nr. 410/1990, par. 5.3 (Parkanyi/Hongarije); CRM 31 oktober 2002, nr. 864/ 1999, par. 9.2 (Ruiz Agudo/Spanje); CRM 1 november 2013, nr. 1856/2008, par. 6.4 (Sevostyanov/Rusland).
Vgl. Trechsel 2005, p. 174; Harris, O’Boyle e.a. 2014, p. 463.
Deze doctrine is een specialis van het algemene subsidiariteitsprincipe dat de internationale organen hanteren en heeft betrekking op het primaat van de nationale instanties waar het klachten over de feitenvaststelling en nationale rechtstoepassing betreft, zie Christoffersen 2009, p. 238-239. Desalniettemin spreekt het Hof zich in meerdere opzichten wel degelijk uit over de eerlijkheid van de bewijsvergaring en -waardering, zie voor overzichten Stavros 1993, p. 222-252; Reid 2012, p. 149-158. Goss (2014, p. 42-58) noemt de doctrine daarom “riddled with a series of exceptions that render the doctrine incoherent and internally inconsistent”. Hij concludeert dat fourth instance-toetsing eerder regel dan uitzondering is.
Zie daarover § III.2.5.
Concluding observations bij het landenrapport van Chili, VN Doc. A/39/40, par. 435/478. Geciteerd uit Stavros 1993, p. 222.
Trechsel 2005, p. 174.
EHRM 30 mei 2000, nr. 32451/96 (Vilborg Yrsa Sigurdardottir/IJsland).
Vgl. Tophinke 2000, p. 315-316 en zie tevens § IX.4.
Tophinke (2000, p. 316-330) doet een poging dat inzichtelijker te maken door middel van rechtsvergelijkend onderzoek naar de jurisprudentie van uit de Verenigde Staten en van Internationale Strafhoven die dezelfde maatstaf hanteren. Ook daarin wordt weinig richting gegeven en toetsen hoogste instanties hoogstens marginaal of een rationele beslisser heeft moeten twijfelen.
COM (2013), 821/2.
Raad van de Europese Unie, 30 september 2014, interinstitutioneel dossier: 2013/0407 (COD), Comdoc.: 17621/13 DROIPEN 158 COPEN 235 CODEC 2929.
Onder alle onderzochte rechtsbronnen volgt uit de onschuldpresumptie dat substantiële twijfel over de schuld van de verdachte in de weg behoort te staan aan veroordeling.
Het VN Mensenrechtencomité leest in artikel 14 lid 2 IVBPR het meest uitdrukkelijk een bewijsmaatstaf. De onschuldpresumptie vereist proof beyond reasonable doubt. Bij de totstandkoming van het IVBPR had daarover nog discussie bestaan, maar werd van de opname van een bewijsmaatstaf afgezien om verschillende, haaks op elkaar staande redenen. Een aantal betrokkenen vond dat een bewijsmaatstaf van proof beyond reasonable doubt in de onschuldpresumptie besloten lag, terwijl anderen de te hanteren bewijsmaatstaf juist een te zeer nationaalrechtelijke aangelegenheid achtten om deze verdragsrechtelijk te regelen.1 Het VN Mensenrechtencomité laat daarover evenwel geen twijfel bestaan en heeft beslist ten gunste van het eerstgenoemde standpunt.2
De ECieRM leek aanvankelijk een soortgelijke eis te stellen, want zowel het recht op een eerlijk proces in het algemeen als de onschuldpresumptie in het bijzonder vereisten “direct or indirect evidence sufficiently strong in the eyes of the law to establish [...] guilt”.3 In Steel/Verenigd Koninkrijk oordeelde de Commissie echter dat het EVRM niet vordert dat in strafzaken steeds de maatstaf beyond reasonable doubt geldt:
“[I]t is not clear whether, in domestic law, the courts should apply the criminal standard of ‘beyond reasonable doubt’ or the civil one of ‘balance of probabilities’, when deciding [...]. Article 6 para. 2 [...] of the Convention does not, however, lay down any specific rights in relation to the standard [...] of proof.”4
Een bewijsmaatstaf schrijft het Hof evenmin uitdrukkelijk voor. Wel is vaste rechtspraak dat op basis van de onschuldpresumptie “any doubt should benefit the accused.”5 Tevens acht het Hof in dubio pro reo een “specific expression” van het onschuldvermoeden.6
Noch het VN Mensenrechtencomité, noch de Straatsburgse organen toetsen de naleving van deze voorschriften op indringende wijze. Alleen wanneer de bewezenverklaring van willekeur blijk geeft of – in de woorden van het Comité – resulteert in een denial of justice, grijpen de organen in.7 De reden daarvoor moet worden gezocht in het door de mensenrechtenorganen in acht genomen uitgangspunt dat de nationale rechter beter in staat is het bewijs te waarderen en aldus de feiten vaststelling voor zijn rekening te nemen.8 Deze fourth instance-doctrine9 staat in theorie en strikt genomen er niet aan in de weg een bewijsmaatstaf voor te schrijven en de naleving daarvan te handhaven. Anders dan de bewijswaardering (hoe waarschijnlijk zijn de feiten) is de bewijsmaatstaf (hoe waarschijnlijk moeten de feiten zijn) immers een juridische kwestie.10 Indringender zou kunnen worden getoetst of de door de nationale rechter vereiste waarschijnlijkheid hoog genoeg is geweest. In de praktijk komen individuele klachten er echter telkens op neer dat het voorliggende bewijs tekortschiet. Dan is doorgaans moeilijk na te gaan of de rechter die op basis van op het eerste gezicht mager bewijsmateriaal toch tot een veroordeling is gekomen, daarbij met een (te) lage waarschijnlijkheid genoegen heeft genomen of het belastende materiaal (te) hoog heeft gewaardeerd. Op een evaluatie daarvan zijn toezichthoudende organen bovendien niet toegerust. Mogelijk dat wel schending van het onschuldvermoeden zal worden aangenomen, in het uitzonderlijke geval dat de nationale wetgever of rechter zelf er geen twijfel over laat bestaan met een lage waarschijnlijkheid genoegen te hebben genomen. In die categorie valt de door Stavros gesignaleerde kritiek van het VN Mensenrechtencomité op de Chileense strafwetgeving die straf stelde op “suspicion of having committed a terrorist offence”.11 Trechsel noemt een zaak waarin de IJslandse rechter ter onderbouwing van een bewezenverklaring had overwogen dat niet kon worden gezegd dat de onschuld van de verdachte waarschijnlijker was dan diens schuld.12 Vanwege een schikking kwamen de Straatsburgse organen aan beoordeling van dat geval niet toe.13
Dit alles neemt natuurlijk niet weg dat het de partijstaten bij het EVRM, en in elk geval uitdrukkelijk die bij het IVBPR, niet vrijstaat met minder bewijs dan bewijs beyond reasonable doubt genoegen te nemen. Daaraan doet op zichzelf niet af dat de met toezicht op naleving van de verdragen belaste organisaties afzien van indringende controle.14 Wat het echter precies betekent dat over de schuld van de verdachte geen redelijke twijfel bestaat, laat zich uit de verdragen of de rechtspraak daarover niet afleiden.15
Niet op voorhand is uitgesloten dat de richtlijn op dit vlak op termijn meerwaarde heeft. Het eerste voorstel bevatte in de oorspronkelijke opzet een artikel 5 lid 3 dat de lidstaten opdroeg te zorgen dat de rechter vrijspreekt indien hij reasonable doubt ziet.16 Een werkgroep van de Raad van Ministers achtte de bepaling te ingrijpend en stelde schrapping voor.17 De bepaling is geschrapt, maar het definitieve artikel 6 lid 2 bepaalt niettemin dat “any doubt as to the question of guilt is to benefit the suspect or accused person”. Dat is verrassend, want dat de verdachte van any doubt profiteert, lijkt nog ingrijpender dan de aanvankelijke maatstaf van reasonable doubt. Redelijke uitleg van de EHRM-rechtspraak en de richtlijn brengt mijns inziens echter mee dat twijfels die niet als reasonable zijn te kwalificeren ook niet tot vrijspraak hoeven leiden. De aan de richtlijn te geven uitleg kan mogelijk aan de verdere uitkristallisering van een bewijsmaatstaf op Europees niveau bijdragen, al is dat niet erg waarschijnlijk te achten. Ook het HvJ zal zich niet willen bekreunen om de vraag of in concreto aan de term ‘twijfel’ geen te ruime of te enge interpretatie is gegeven. Wel stelt de richtlijn op deze manier buiten twijfel dat een eerlijk proces in het algemeen, en de onschuldpresumptie in het bijzonder, vergen dat op nationaal niveau elke redelijke twijfel aan veroordeling in de weg staat.