Einde inhoudsopgave
Bewijsrechtelijke verhoudingen verzekeringsrecht (Verzekeringsrecht) 2008/
Verhandeling
prof.mr. N. van Tiggele-van der Velde, datum 26-05-2008
- Datum
26-05-2008
- Auteur
prof.mr. N. van Tiggele-van der Velde
- JCDI
JCDI:ADS357054:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Het 'oude' 251K-regiem was van regelend recht, waardoor het partijen vrij stond bij de overeenkomst een van dat artikel afwijkende regeling te treffen. De regeling omtrent de (niet-nakoming van de) mededelingsplicht onder het huidig BW is deels dwingendrechtelijk van aard: indien de verzekeringnemer een natuurlijke persoon is en hij de verzekering sluit anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf kan van de bepalingen in art. 7:928-930 BW niet worden afgeweken ten nadele van de verzekeringnemer of de tot uitkering gerechtigde. Nu daarvan geen sprake is (het is de verzekeraar die bij voorbaat afstand doet van een mogelijk beroep op verzwijging) staat art. 7:930 BW aan de mogelijkheid tot het opnemen van een bekendheidsclausule niet in de weg.
Vgl. art. 5.2 NBB-polis 2006: 'Verzekeraars zijn bekend met de ligging, bouwaard, inrichting en gebruik van de verzekerde zaken ten tijde van het begin van de overeenkomst, alsmede met de belendingen'.
Zie Scheltema/Mijnssen 1998, nr. 3.74 en Clausing 1998, nr. 2.3.8.
Asser/Clausing & Wansink 2007, nr. 183. Scheltema/Mijnssen 1998, nr. 3.74 gaan eveneens uit van een beperkte werking van de bekendheidsclausule.
In de verzwijgingsregeling, zoals deze hiervoor steeds aan de orde is geweest, vindt de verzekeraar bescherming in die zin, dat op de verzekeringnemer bij het sluiten van de verzekeringsovereenkomst een mededelingsplicht rust. Het staat de verzekeraar vrij van die bescherming bij voorbaat afstand te doen.1 In de praktijk gebeurt dat dikwijls met behulp van een zgn. bekendheidsclausule, waarbij de verzekeraar verklaart op de hoogte te zijn van bepaalde omstandigheden.2 Daardoor wordt een beroep op het niet-nakomen van de mededelingsplicht in zoverre beperkt dat de verzekeraar die heeft verklaard bekend te zijn met die omstandigheden zich er niet op kan beroepen dat hij zich door de verzekeringnemer op dit punt onvoldoende geïnformeerd acht.3 Of, in de woorden van Asser/ Clausing & Wansink: de bekendheidsclausule is een fictie waarmee de verzekeraar op zichzelf niet de mededelingsplicht ten tijde van het sluiten van de verzekering voor de verzekeringnemer beperkt, maar slechts achteraf binnen in de clausule aangegeven grenzen zijn bescherming tegen het onvolledig geïnformeerd zijn over het te verzekeren risico prijsgeeft. Met recht stellen zij dat dat een restrictieve uitleg van de clausule rechtvaardigt.4
Bewijsrechtelijk is de bekendheidsclausule op een tweetal punten van belang. Dat is allereerst op het punt van de reikwijdte van de clausule: ten aanzien van welke omstandigheden heeft de verzekeraar zich bekend verklaard en zijn er omstandigheden waaronder hij zich er op kan beroepen dat de clausule hem niet tegengeworpen mag worden? Daarnaast speelt ook het bewijs van mogelijk opzettelijk niet-nakomen een rol: algemeen is de opvatting dat de bekendheidsclausule sluit een beroep op het niet-nako-men van de mededelingsplicht niet uitsluit indien de verzekeringnemer heeft gehandeld met het opzet de verzekeraar te misleiden.