Het onderzoek in de enquêteprocedure
Einde inhoudsopgave
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/6.6.2:6.6.2 Totstandkomingsgeschiedenis
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/6.6.2
6.6.2 Totstandkomingsgeschiedenis
Documentgegevens:
mr. drs. R.M. Hermans, datum 01-11-2017
- Datum
01-11-2017
- Auteur
mr. drs. R.M. Hermans
- JCDI
JCDI:ADS454266:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Wet van 8 november 1993 tot wijziging en aanvulling van de regeling van het recht van enquête,Stb. 1993, 597.
Handelingen II 1991/92, 22400, 3, p. 7-8 en 16 (MvT).
SER-advies 89/21, p. 16-17.
Handelingen II 1991/92, 22400, 3, p. 16. Deze opmerking berust op een misverstand. Deze bepaling is rechtstreeks van toepassing. Zo ook Geerts 2004, p. 163.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Dit artikel is op advies van de SER ingevoegd bij de wijziging en aanvulling van de regeling van het recht van enquête in 1994.1 De wetsgeschiedenis2 is, evenals het advies van de SER,3 summier. De SER constateerde dat er een leemte in de wettelijke regeling was omdat de onderzoekers niet de bevoegdheid hadden om personen die weigerden vragen te beantwoorden, als getuigen te horen. De minister was het daarmee blijkens de memorie van toelichting eens. Hij wees erop dat het nuttig kan zijn dat de onderzoekers gedurende het onderzoek personen als getuigen kunnen laten horen door de Ondernemingskamer. De procedure om tot een getuigenverhoor te komen wordt in de wetsgeschiedenis niet toegelicht. Over het verhoor zelf vermeldt de memorie van toelichting slechts dat indien de Ondernemingskamer zulks gewenst acht, zij de getuigen onder ede (belofte) kan horen met analogische toepassing van artikel 203 Rv (oud), thans artikel 177 Rv.4