Einde inhoudsopgave
Het voorlopig getuigenverhoor (BPP nr. XVII) 2015/275
275 Voorbeelden van feitelijk kansloze zaken
Mr. E.F. Groot, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. E.F. Groot
- JCDI
JCDI:ADS457048:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Bewijs
Voetnoten
Voetnoten
Rb. Zwolle-Lelystad (ktr) 20 oktober 2006, ECLI:NL:RBZLY:2006:AZ1718.
Rb. Haarlem 22 september 2008, ECLI:NL:RBHAA:2008:BF3246.
Hof Amsterdam 20 januari 2005, ECLI:NL:GHAMS:2005:AT5992, NJF 2005, 184.
Het hof wees af op grond van misbruik van bevoegdheid. De vaststelling dat een voorlopig getuigenverhoor geheel nodeloos is, dient te leiden tot afwijzing op grond van onvoldoende belang.
Rb. Amsterdam 20 december 2012, ECLI:NL:RBAMS:2012:BY7038, Prg. 2013, 98.
Vergelijkbaar is Rb. Rotterdam 28 september 2006, ECLI:NL:RBROT:2006:AY9170. In deze zaak bleek niet van een onrechtmatige daad van mr. X jegens de verzoeker, maar hoogstens van onrechtmatig handelen door mr. X jegens Y. Onduidelijkheid bestond over de vraag of mr. X optrad voor werknemer Y bij de besprekingen over de beëindiging van het dienstverband van Y bij de verzoeker. Volgens mr. X wel, maar volgens Y niet. Deze onduidelijkheid had volgens de verzoeker extra advocaatkosten en directiekosten veroorzaakt.
Rb. Rotterdam 28 september 2006, ECLI:NL:RBROT:2006:AY9170.
Rb. Amsterdam 12 juni 2008, ECLI:NL:RBAMS:2008:BD3783.
In een eerste zaak meende de verzoeker dat zijn ex-werkgever niet had voldaan aan de op grond van de arbeidsovereenkomst bestaande verplichting om een bepaalde bonus te betalen, maar kon hij niet aangeven dat de arbeidsovereenkomst de betreffende bonus kende.1 In een tweede zaak, één van de Chipsholzaken, ontleende de onrechtmatige-daadvordering in de hoofdzaak zijn bestaansrecht aan een cessie-akte. Toen de cessie-akte werd geannuleerd, viel daarmee ook de vordering weg en werd het houden van een voorlopig getuigenverhoor zinloos.2 In dergelijke zaken zal de verzoeker al snel onvoldoende belang hebben bij zijn verzoek als hij geenszins kan onderbouwen dat de arbeidsovereenkomst wél de betreffende bonus kent of dat het wegvallen van de cessie-akte géén gevolgen heeft voor de onrechtmatige-daadactie.
In een derde zaak wilde Frog schadevergoeding vorderen van Floriade.3 Volgens Floriade was echter niet voldaan aan het in een exoneratieclausule voorgeschreven vereiste van een ingebrekestelling en in het exoneratiebeding was de aansprakelijkheid voor de door Frog gevorderde indirecte schade beperkt. De honorering van het beroep op de exoneratieclausule maakte het verzoek tot het doen houden van een voorlopig getuigenverhoor “geheel nodeloos”.4
In een vierde zaak behoorde een deel van de verzoekers tot het concern van X.5 Daarnaast was X ook eigenaar van Y. X en Y waren onderwerp van onderzoek door de FIOD, het OM en de DNB en op het moment van het verzoek tot het doen houden van een voorlopig getuigenverhoor waren de strafrechtelijke procedures nog niet geëindigd. De verzoekers waren voornemens een hoofdzaak tegen de Staat te beginnen. Zij verweten de Staat dat de FIOD en/of het OM van meet af aan de intentie hadden gehad om X en zijn ondernemingen te ruïneren en om X veroordeeld te krijgen. Zo zou het OM elementaire rechten van verzoekers, zoals de onschuldpresumptie en de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit, hebben geschonden en onrechtmatige perspublicaties hebben laten uitgaan. De rechtbank overwoog dat de verzoekers niet concreet hadden onderbouwd waaruit de onrechtmatige gedragingen van de Staat jegens hen zouden bestaan. Het enkele feit dat de verzoekers behoorden tot het concern van X en mogelijk schade hadden geleden als direct dan wel indirect gevolg van de ondergang van Y, betekende niet dat jegens verzoekers onrechtmatig was gehandeld.6 Vergelijkbaar hiermee is een andere zaak, waarin de rechtbank Rotterdam een verzoek afwees, omdat uit de summier gepresenteerde feiten hoogstens bleek van een vordering tussen X en de verweerder, maar niet van een vordering tussen de verzoeker en de verweerder.7
In een laatste, wat minder duidelijke zaak had fotograaf X foto’s van een bekende Nederlander toegestuurd aan roddelblad Privé. Fotograaf X meende dat hij ten8 onrechte geslachtofferd werd toen commotie over de foto’s ontstond, omdat de uiteindelijk geplaatste foto’s niet van hem, maar van een andere fotograaf afkomstig waren. De fotograaf was voornemens een vordering tot rehabilitatie en compensatie in te stellen en wilde er door middel van een voorlopig getuigenverhoor achter komen welke fotograaf de geplaatste foto’s had gemaakt. De rechtbank oordeelde dat de verzoeker onvoldoende belang had, omdat de verzoeker met de toezending van de foto’s aan Privé al onrechtmatig had gehandeld (en een vordering tot compensatie en rehabilitatie niet zou slagen).