Einde inhoudsopgave
Het voorlopig getuigenverhoor (BPP nr. XVII) 2015/271
271 Scherpe regel 3: verjaarde vorderingen
Mr. E.F. Groot, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. E.F. Groot
- JCDI
JCDI:ADS454656:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Bewijs
Voetnoten
Voetnoten
Rb. ’s-Gravenhage 21 april 2010, ECLI:NL:RBSGR:2010:BM1744, NJF 2011, 48. In deze zaak was niet op voorhand duidelijk dat de vordering in de hoofdzaak van de verzoekers jegens de Staat was verjaard, omdat niet duidelijk was wanneer elk van de verzoekers op de hoogte was geraakt van het vermeende onrechtmatige handelen van de Staat en de daaruit voortvloeiende schade.
De verweerder moet expliciet aangeven in de hoofdzaak een beroep te zullen doen op verjaring. Immers, de rechter mag niet ambtshalve oordelen dat een vordering is verjaard (art. 3:322 lid 1 BW), terwijl bovendien een verjaringsverweer (al dan niet bewust) niet altijd wordt gevoerd, zie Klaassen 2001, nr. 10. Zie ook Asser/Hartkamp & Sieburgh 2012 (6-II) 2013/388.
Rb. Assen 25 april 2000, ECLI:NL:RBASS:2000:AA5626.
Hof ’s-Gravenhage 19 april 2007, ECLI:NL:GHSGR:2007:BA4465.
Rb. Utrecht 28 september 2011, ECLI:NL:RBUTR:2011:BT6206, NJF 2011, 453. In deze zaak meende de rechtbank dat een verzoek waarbij de hoofdzaak onmiskenbaar is verjaard zou moeten afstuiten op strijd met de goede procesorde. In dezelfde zin Hof Arnhem-Leeuwarden 26 november 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:8971. De verzoeker wilde in de hoofdzaak onder andere een vordering op grond van art. 6:170 BW instellen. Hoewel het Aartsbisdom niet de werkgever van de vermeende pleger van het seksueel misbruik (X) was, sloot het hof niet uit dat de rechter de ondergeschiktheid van X aan het Aartsbisdom aanwezig zou achten, omdat het begrip ondergeschiktheid ruim wordt opgevat.
In beginsel moet een voorlopig getuigenverhoor worden afgewezen op grond van onvoldoende belang als de vordering in de hoofdzaak hoogstwaarschijnlijk verjaard is1 en als de verweerder aangeeft in de hoofdzaak een beroep te zullen doen op verjaring.2 Aan de verjaringstermijn wordt omwille van de rechtszekerheid immers strikt de hand gehouden. De rechtbank Assen overwoog dat een voorlopig getuigenverhoor naar de feiten waarop een verjaarde vordering steunt, zinloos is en daaromniet dient teworden gehonoreerd. Na een beoordeling van de verjaring van de vorderingen in de hoofdzaak, oordeelde de rechtbank dat de vorderingen waren verjaard en het voorlopig getuigenverhoor ten behoeve van die vorderingen zinloos was.3 De rechtbank ging naar mijn mening niet te ver in haar beoordeling van de hoofdzaak. De verzoekers baseerden hun vordering in de hoofdzaak deels op het op jonge leeftijd gaan roken. Aan de hand van de leeftijd van de verzoekers kon de rechtbank simpel uitrekenen dat het moment waarop zij meerderjarig waren geworden meer dan 20 jaar in het verleden lag, terwijl van tijdige stuitingshandelingen niet was gebleken. Het hof ’s-Gravenhage wilde niet vooruit lopen op de vraag of de vorderingen in de hoofdzaak waren verjaard.4 De verzoeker had aangegeven dat het voorlopig getuigenverhoor van belang was voor het verjaringsverweer in de hoofdzaak, maar het hof meende dat die stelling in het voorlopig getuigenverhoor niet kon worden beoordeeld en moest worden bezien in de hoofdzaak. Naar mijn mening had het hof de vordering in de hoofdzaak marginaal moeten toetsen. In deze zaak was relevant dat de rechtbank de hoofdzaak voor een groot deel had afgedaan op de grond dat de vorderingen van de verzoeker waren verjaard. Tenzij de verzoeker steekhoudende argumenten aanvoert op grond waarvan getwijfeld kan worden aan de juistheid van de beslissing van de rechtbank, moet worden aangenomen dat de vordering van de verzoeker hoogstwaarschijnlijk zal worden afgewezen.
In uitzonderlijke gevallen kan een verjaringstermijn buiten beschouwing worden gelaten. De verzoeker die voldoende motiveert waarom in zijn geval de vordering níet zal afstuiten op verjaring, bijvoorbeeld omdat hij door middel van getuigen wil bewijzen dat een schriftelijke aanmaning ter hand gesteld is aan de schuldenaar (zie art. 3:317 lid 1 BW), kan wel voldoende belang hebben. In een zedenzaak tegen het Aartsbisdom Utrecht overwoog de rechtbank dat niet kon worden uitgesloten dat de betreffende zaak als uitzonderlijk geval zou worden gekwalificeerd vanwege de bijzondere maatschappelijke positie van de Rooms-katholieke kerk in de samenleving en het advies van de door de Bisschoppenconferentie ingestelde commissie Lindenbergh om bij de toepassing van de door haar voorgestelde regeling geen beroep te doen op verjaring.5