Einde inhoudsopgave
Het voorlopig getuigenverhoor (BPP nr. XVII) 2015/266
266 Verwoording van (het ontbreken van) een kansloze vordering in de jurisprudentie
Mr. E.F. Groot, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. E.F. Groot
- JCDI
JCDI:ADS453449:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Bewijs
Voetnoten
Voetnoten
Hof ’s-Gravenhage 15 november 1984, ECLI:NL:GHSGR:1984:AC4392, NJ 1986, 300.
Rb. Rotterdam 27 mei 2008, ECLI:NL:RBROT:2008:BD7456.
Rb. ’s-Gravenhage 21 april 2010, ECLI:NL:RBSGR:2010:BM1744, NJF 2011, 48; Rb. Utrecht 28 september 2011, ECLI:NL:RBUTR:2011:BT6206, NJF 2011, 453.
Rb. Dordrecht 7 december 2005, ECLI:NL:RBDOR:2005:AU7618.
Hof ’s-Hertogenbosch 21 maart 2007, ECLI:NL:GHSHE:2007:BA7783.
Zie de uitspraak van het hof in HR 25 maart 1988, ECLI:NL:HR:1988:AC2367, NJ 1989, 3, m.nt. W. H. Heemskerk (Staat/ABN). Overigens plaatste het hof deze overweging in de sleutel vanmisbruik.
Rb. Amsterdam 3 mei 2012, ECLI:NL:RBAMS:2012:BW6700.
Rb. Amsterdam 16 november 2006, ECLI:NL:RBAMS:2006:AZ2619, JOR 2007, 18, m.nt. A.F.J.A. Leijten.
In uitspraken komt de verwerping van het verweer, dat het voorlopig getuigenverhoor moet worden geweigerd vanwege een kansloze vordering in de hoofdzaak, tot uitdrukking in overwegingen als: bij voorbaat staat niet vast dat geen enkel vorderingsrecht geldend gemaakt zou kunnen worden,1 niet ondenkbaar is dat een vordering kan worden ingesteld,2 op voorhand kan niet worden uitgesloten dat de vordering in de hoofdzaak kan slagen,3 op voorhand kan niet worden gezegd dat het horen van de getuigen zinloos is,4 aanstonds is niet duidelijk dat de te bewijzen feiten voor de beoordeling van het geschil niet relevant kunnen zijn,5 stellingen zijn niet zo evident onzinnig dat reeds aanstonds duidelijk is dat een procedure tot geen enkel resultaat zal leiden\6 of in elk geval moet niet reeds in dit stadiumworden geoordeeld dat de verzoeker geen enkel juridisch belang heeft bij zijn beoogde rechtsvordering.7 Een te zwaar criterium (zie hierna) is dat bij marginale beoordeling de vordering in de hoofdzaak voldoende aannemelijk moet zijn.8