NJF 2005, 184
Procesrecht. Verzoek voorlopig getuigenverhoor door appellante voor en met het oog op het opstellen van de memorie van grieven. Zodanige onevenredigheid tussen het belang van appellante om de verhoren te doen plaatsvinden en het belang van geïntimeerde om dat, althans in dit stadium, niet te doen, dat appellante door het verzoek misbruik maakt van haar (procesrechtelijke) bevoegdheid.
Hof Amsterdam 20-01-2005, ECLI:NL:GHAMS:2005:AT5992
- Instantie
Hof Amsterdam
- Datum
20 januari 2005
- Magistraten
Mrs. G.J. Visser, R.J.M. Smit, C.A. Joustra
- Zaaknummer
1198/04
- LJN
AT5992
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Algemeen
Burgerlijk procesrecht / Bewijs
Burgerlijk procesrecht / Eerste aanleg
- Brondocumenten
ECLI:NL:GHAMS:2005:AT5992, Uitspraak, Hof Amsterdam, 20‑01‑2005
- Wetingang
Rv art. 186
Essentie
Procesrecht. Verzoek voorlopig getuigenverhoor door appellante voor en met het oog op het opstellen van de memorie van grieven. Zodanige onevenredigheid tussen het belang van appellante om de verhoren te doen plaatsvinden en het belang van geïntimeerde om dat, althans in dit stadium, niet te doen, dat appellante door het verzoek misbruik maakt van haar (procesrechtelijke) bevoegdheid. Dit gelet op de vaagheid/relevantie van de onderwerpen waarover bewijslevering wordt gewenst, het beslag op de tijd en de aan het verhoor verbonden kosten, het gebrek aan verhaalsmogelijkheden voor die kosten bij appellante en het beroep door geïntimeerde op een exoneratieclausule. ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.