NJF 2005, 184:Procesrecht. Verzoek voorlopig getuigenverhoor door appellante voor en met het oog op het opstellen van de memorie van grieven. Zodanige onevenredigheid tussen het belang van appellante om de verhoren te doen plaatsvinden en het belang van geïntimeerde om dat, althans in dit stadium, niet te doen, dat appellante door het verzoek misbruik maakt van haar (procesrechtelijke) bevoegdheid.