Het onderzoek in de enquêteprocedure
Einde inhoudsopgave
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/6.7.1:6.7.1 Wettekst
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/6.7.1
6.7.1 Wettekst
Documentgegevens:
mr. drs. R.M. Hermans, datum 01-11-2017
- Datum
01-11-2017
- Auteur
mr. drs. R.M. Hermans
- JCDI
JCDI:ADS459088:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Geerts 2004, p. 129-134; p. 164-165; Blanco Fernández, Holtzer & Van Solinge 2004, p. 38; Josephus Jitta 2004, p. 25-26; Geerts in: GS Rechtspersonen, artikel 2:351 BW, aant. 9; Asser/ Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/783; Van der Heijden-Van der Grinten/Dortmond 2013, nr. 365; Assink || Slagter 2013, p. 1717-1719; Storm 2014, p. 145-146; Bartman, Dorresteijn & Olaerts 2016, p. 301-305; Blanco Fernández 2016.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De bepaling over de uitbreiding van de onderzoeksbevoegdheden tot nauw verbonden rechtspersonen is opgenomen in artikel 2:351 lid 2 BW.1 Deze bepaling luidt als volgt:
“De ondernemingskamer kan, indien dit voor de juiste vervulling van hun taak nodig is, de door haar benoemde personen op hun verzoek machtigen tot het raadplegen van de boeken, bescheiden, en andere gegevensdragers en het zich doen tonen van de bezittingen van een rechtspersoon die nauw verbonden is met de rechtspersoon ten aanzien waarvan het onderzoek plaatsvindt. De bepalingen van de derde en de vierde volzin van het lid 1 zijn van overeenkomstige toepassing.”
Door de verwijzing naar de derde en vierde volzin van het eerste lid van artikel 2:351 BW zijn de (voormalige) bestuurders, commissarissen en werknemers van de nauw verbonden rechtspersoon op dezelfde wijze verplicht inlichtingen te verschaffen aan de onderzoekers als de functionarissen van de rechtspersoon zelf.