Einde inhoudsopgave
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/6.7.4
6.7.4 Begrip ‘nauw verbonden rechtspersoon’
mr. drs. R.M. Hermans, datum 01-11-2017
- Datum
01-11-2017
- Auteur
mr. drs. R.M. Hermans
- JCDI
JCDI:ADS457876:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
SER-advies 89/21, p. 11; Bartman, Dorresteijn & Olaerts 2016, p. 301-305; Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II*, 2009/783; Storm 2014, p. 145-146; Blanco Fernández 2016.
Zie OK 2 november 2000, JOR 2001/6 (Cohere Holding c.s.), r.o. 3.4. Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/783 stelt dat het vermoeden van een deelneming ingevolge artikel 2:24c BW (duurzame verbondenheid) indien 20% of meer van het geplaatste kapitaal wordt verschaft, niet tot nauwe verbondenheid leidt als niet meer dan 50% van dat kapitaal wordt verschaft. Ik ben het daarmee in zoverre eens, dat het enkele zijn van een deelneming niet tot gevolg heeft dat de deelneming nauw verbonden is met de rechtspersoon die voorwerp is van de enquête. Voor zover daarmee echter mocht zijn bedoeld dat een deelneming die niet tevens groepsmaatschappij is, geen nauw verbonden rechtspersoon kan zijn, deel ik deze opvatting niet.
OK 17 januari 2007, JOR 2007/42, m.nt. J.M. Blanco Fernández (Stork), r.o. 3.9.
Bartman, Dorresteijn & Olaerts 2016, p. 301-305.
Hetzelfde geldt uiteraard voor kantoren van advocaten en notarissen, maar die kunnen zich ook op hun verschoningsrecht beroepen.
Blanco Fernández, Holtzer & Van Solinge 2004, p. 38; Blanco Fernández 2016, p.54.
Zo ook Josephus Jitta 2004, p. 25-26; Bartman, Dorresteijn & Olaers 2016, p. 302.
Daaraan doet niet af dat de beschermingsstichting volgens HR 9 juli 2010, NJ 2010/544, m.nt.P. van Schilfgaarde, JOR 2010/228, m.nt. M.J. van Ginneken (ASMI) niet als medebeleidsbepaler van de vennootschap kan worden aangemerkt. Zie over deze uitspraak § 2.6.2.
OK 6 februari 2003, JOR 2003/84 (SHGP), r.o. 3.10.
Uit de strekking van deze bepaling volgt dat de kring van rechtspersonen die nauw verbonden kunnen zijn met de rechtspersoon die voorwerp van het onderzoek is, ruim moet worden getrokken. Het criterium voor het vaststellen of er sprake is van een nauw verbonden rechtspersoon, is of het voor het verkrijgen van een juist beeld van het beleid en de gang van zaken van de rechtspersoon nodig is inzicht te verkrijgen in de situatie bij die andere rechtspersoon. Of dit nodig is, hangt af van de onderzoeksopdracht, het type enquête en de verdere omstandigheden van het geval. Om die reden is het niet mogelijk om in zijn algemeenheid aan te geven wat nauw verbonden rechtspersonen als bedoeld in artikel 2:351 lid 2 BW zijn. Wat wel kan, is aangeven wat nauw verbonden rechtspersonen zouden kunnen zijn.
Naar algemeen wordt aangenomen kunnen groepsmaatschappijen van de rechtspersoon die voorwerp van het onderzoek is, in ieder geval een nauw verbonden rechtspersoon zijn.1 Een 31% deelneming waarvan een van de bestuurders ook bestuurder is van de onderzochte rechtspersoon, kan dit ook zijn als het onderzoek zich richt op het beleid van de rechtspersoon met betrekking tot deze deelneming.2
Nogal wat enquêtes hebben (mede) betrekking op de relatie tussen de rechtspersoon en zijn kapitaalverschaffers, waaronder ik in deze context versta verschaffers van eigen vermogen. Kapitaalverschaffers, voor zover rechtspersoon, kunnen in een dergelijke situatie een nauw verbonden rechtspersoon zijn.3 Gelet op de strekking van artikel 2:351 lid 2 BW kan ook een kapitaalverschaffer die indirect, via een of meer tussenholdings, de aandelen houdt, een nauw verbonden rechtspersoon zijn. Hetzelfde zou kunnen gelden voor een administratiekantoor of de trustee van de trust die de aandelen in de rechtspersoon houdt. In sommige gevallen worden de aandelen in de rechtspersoon gehouden door een beleggingsfonds dat geen rechtspersoonlijkheid heeft. Gelet op de ruime strekking van artikel 2:351 lid 2 BW acht ik het verdedigbaar om ook een beleggingsfonds als nauw verbonden rechtspersoon aan te kunnen merken, ook al heeft het fonds geen rechtspersoonlijkheid. Waar het om draait is of er sprake is van een organisatie in wier beleid en handelen inzicht nodig is om een beeld te krijgen van het beleid en de gang van zaken van de rechtspersoon. Daarvoor is het al dan niet hebben van rechtspersoonlijkheid niet van belang. Steun voor dat standpunt kan worden ontleend aan het feit dat, zoals hierna uiteen wordt gezet, ook buitenlandse rechtspersonen een nauw verbonden rechtspersoon kunnen zijn. Iedere Staat kent eigen regels voor het toekennen van rechtspersoonlijkheid aan een organisatie. Denkbaar is dat buitenlandse organisaties rechtspersoonlijkheid zouden kunnen hebben waar een vergelijkbare organisatie dat in Nederland niet heeft. Om die reden is het aantal rechtspersonen dat nauw verbonden zou kunnen zijn, in wezen onbepaald. Dat pleit dus voor een ruime interpretatie van het begrip ‘rechtspersoon’ in artikel 2:351 lid 2 BW. Zou men hier anders over denken, dan zou in een voorkomend geval de beheerder van het beleggingsfonds, voor zover rechtspersoon, als nauw verbonden rechtspersoon kunnen worden aangemerkt.
Indien de rechtspersoon die voorwerp van het onderzoek is, volledig aansprakelijk vennoot is van een commanditaire vennootschap of vennootschap onder firma, kan het onderzoek zich mede uitstrekken tot het beleid en de gang van zaken van die vennootschap. In zo’n situatie zou de onderzoeksopdracht kunnen meebrengen dat andere vennoten van de vennootschap als nauw verbonden rechtspersoon worden aangemerkt.4 Hetzelfde geldt als een joint venture niet is vormgegeven als een personenvennootschap maar als een kapitaalvennootschap. Ik meen dat andere contractuele verhoudingen niet mee kunnen brengen dat de wederpartij van de rechtspersoon daarmee als nauw verbonden moet worden aangemerkt. Adviseurs van de vennootschap, onder wie zakelijke dienstverleners als accountants en zakenbankiers, vallen buiten de werkingssfeer van artikel 2:351 lid 2 BW.5 Ik ben het niet eens met Blanco Fernández, Holtzer en Van Solinge die menen dat aan het vereiste van nauwe betrokkenheid is voldaan wanneer de verbonden rechtspersoon, wat betreft het onderwerp van het onderzoek, in een zodanige relatie tot de geënquêteerde rechtspersoon staat, dat kennisname van de gegevens van de verbonden rechtspersoon nodig is voor de vervulling van de onderzoeksopdracht.6 Een puur contractuele relatie, hoe belangrijk voor de rechtspersoon ook, is niet voldoende, anders wordt het begrip nauw verbonden rechtspersoon te ver opgerekt.7
Met enige regelmaat komt het voor dat het beleid en de gang van zaken van de rechtspersoon die voorwerp is van het onderzoek, worden beïnvloed door het feit dat functionarissen en aandeelhouders van die rechtspersoon een functie vervullen bij een andere rechtspersoon. In een dergelijke situatie zou die andere rechtspersoon als nauw verbonden kunnen worden aangemerkt.
Soms komt het voor dat een rechtspersoon niet in een groep is verbonden met de rechtspersoon waarnaar de enquête is gelast, maar daarmee wel een nauwe band heeft. Een bekend voorbeeld is de stichting continuïteit die (een optie op) beschermingsaandelen heeft genomen in het kapitaal van de rechtspersoon. In dat geval valt de stichting continuïteit binnen de kring van betrokkenen als bedoeld in artikel 2:8 BW en kan zij zeker als een nauw verbonden rechtspersoon worden aangemerkt.8
Om een rechtspersoon als nauw verbonden aan te merken moet deze in de periode waarop het onderzoek betrekking heeft, nauw verbonden zijn geweest met de rechtspersoon die onderwerp is van de enquête. Indien de rechtspersoon op het moment dat de onderzoekers het verzoek doen, niet meer als nauw verbonden kan worden aangemerkt, staat dat niet aan toewijzing van het verzoek in de weg.9