Het onderzoek in de enquêteprocedure
Einde inhoudsopgave
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/6.3.8:6.3.8 Sancties bij weigering medewerking aan inzagerecht
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/6.3.8
6.3.8 Sancties bij weigering medewerking aan inzagerecht
Documentgegevens:
mr. drs. R.M. Hermans, datum 01-11-2017
- Datum
01-11-2017
- Auteur
mr. drs. R.M. Hermans
- JCDI
JCDI:ADS453046:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie § 6.5.
Zie bijvoorbeeld OK 18 januari 2006, JOR 2006/96 (Global Green); OK 28 oktober 2014, ARO 2014/147 (S&R Holding), r.o. 3.8. Zie verder § 6.1.2, waar ik heb betoogd dat er geen aanleiding is de onderzoekers de bevoegdheid te verlenen in het belang van het onderzoek onmiddellijke voorzieningen te verzoeken.
OK 11 juli 2014, ARO 2014/139 (Leaderland c.s.).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Indien de rechtspersoon niet of niet volledig gevolg geeft aan het verzoek van de onderzoekers tot inzage van bepaalde boeken, bescheiden en andere gegevensdragers, staan de onderzoekers voor de vraag of zij daarin berusten. Dat zouden zij bijvoorbeeld kunnen doen als de rechtspersoon gemotiveerd betoogt dat het inzagerecht afstuit op de door de onderzoekers in acht te nemen beperkingen. Indien de onderzoekers hierin niet berusten, hebben zij een aantal opties. In de eerste plaats kunnen zij de raadsheer-commissaris verzoeken een bevel tot medewerking te verlenen als bedoeld in artikel 2:352 BW.1 Een tweede mogelijkheid is dat de onderzoekers in een tussentijds verslag melding maken van de weigering van de rechtspersoon om gevolg te geven aan een verzoek tot inzage van bepaalde bescheiden. Op basis daarvan kan de verzoeker van de enquête de Ondernemingskamer verzoeken bij wege van onmiddellijke voorziening een of meer bestuurders van de rechtspersoon te schorsen en een of meer nieuwe bestuurders te benoemen, die wel bereid is/zijn de gevraagde informatie te verstrekken.2 De Ondernemingskamer is hiertoe bevoegd omdat artikel 2:349a lid 2 BW de mogelijkheid biedt onmiddellijke voorzieningen te treffen in het belang van het onderzoek. In de zaak Leaderland c.s. veroordeelde de Ondernemingskamer een aandeelhouder van de vennootschap die de administratie onder zich hield, deze aan de door de Ondernemingskamer benoemde bestuurder over te leggen op straffe van een dwangsom.3 De raadsheer-commissaris had mijns inziens een soortgelijk bevel ook krachtens artikel 2:352 BW op verzoek van de onderzoekers kunnen geven.