Einde inhoudsopgave
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/7.5.2.4
7.5.2.4 De algemene beginselen van behoorlijke rechtspleging
K. Teuben, datum 02-12-2004
- Datum
02-12-2004
- Auteur
K. Teuben
- JCDI
JCDI:ADS578273:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie § 4.4.4 en § 4.4.5.
Zie § 7.3.
Zie § 4.4.3.2.
Het gelijkheidsbeginsel brengt dus niet met zich dat een gelijk geval altijd gelijk behandeld zou moeten worden; zie daarover het vervolg van deze paragraaf alsmede Gerards 2002, p. 1.
Schol ten 1949, p. 23.
Scholten 1949, p. 22.
Vgl. in dezelfde zin Hesselink 1999, p. 400; vgl. voorts Drion 1973, p. 52-53.
Zie hierover Gerards 2002, p. 679-699.
Zie voor een voorbeeld van dit laatste HR 1 november 2002 (Op 't Land/ESS), NJ 2002, 622, waarin de Hoge Raad oordeelde dat een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat voor de ongelijke behandeling naar leeftijd die het verplicht ontslag op 65-jarige leeftijd oplevert.
Strikt genomen gaat het hier om twee beginselen, die echter nauw met elkaar samenhangen. Ik behandel beide daarom hier onder dezelfde noemer.
Vgl. hierover Drion 1973, p. 61.
In deze zin bijv. Struycken & Haazen 1993, p. 136.
Vgl. de stelling van Drion 1950, p. 23, dat 'niet alleen de facto maar ook de jure een precedent niet op één lijn mag worden gesteld met een uitspraak van welke auteur dan ook.'
Vgl. in dezelfde zin Franx 1994, p. 5-6; Asser-Schol ten 1974, p. 91.
Zie daarover § 7.5.2.6, alsmede § 7.5.4.
Onjuist lijkt mij dan ook de opvatting van Jessurun d'Oliveira 1973a, p. 35, dat beginselen als rechtsgelijkheid en rechtszekerheid 'geen beperking toelaten' en dus slechts tot een absolute gebondenheid aan precedenten kunnen leiden.
Zelfs in Engeland is men uiteindelijk tot deze conclusie gekomen: niettegenstaande de sterke waarde die aldaar aan de rechtszekerheid wordt gehecht, heeft het House of Lords zich in 1966 de bevoegdheid toegekend op eigen eerdere uitspraken terug te komen (zie § 7.4.4.2).
Aldus De Jong 1971, p. 578.
In § 4.4.3.2 bleek dat de 'algemene beginselen van behoorlijke rechtspleging' een normatief kader vormen voor de beslissingen van rechters, waarvan de betekenis tot op zekere hoogte vergelijkbaar is met die van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur voor het bestuursoptreden. Van rechters mag verlangd worden dat zij bij hun optreden algemene beginselen als het gelijkheids-, het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel in acht nemen. Deze algemene rechtsbeginselen bleken reeds een rol te spelen bij de beantwoording van de vraag of rechters bevoegd zijn te achten, (bindende) rechtersregelingen vast te stellen.1 Ook voor het thans besproken onderwerp zijn zij van belang, aangezien (zoals eerder werd opgemerkt2) met name het gelijkheidsbeginsel en het rechtszekerheids- of vertrouwensbeginsel vaak worden aangevoerd als fundering voor de precedentwerking van rechterlijke uitspraken
De gelijke behandeling van gelijke gevallen is te beschouwen als een fundamentele eis, die niet alleen voor (bijvoorbeeld) bestuursorganen geldt maar ook voor de rechter.3 Ongelijke rechtspraak in gelijke of althans vergelijkbare gevallen is - tenzij daarvoor een specifieke rechtvaardiging aanwezig is4 - te kwalificeren als onrecht. Door Scholten is een en ander treffend omschreven:
"De geheele gedachte van recht onderstelt dat elke regel is regel voor ieder, die tot de gemeenschap behoort. Niets doet zoo zeer als onrecht aan, dan dat gelijken ongelijk worden behandeld. Het beginsel der gelijkheid is fundament van iedere rechtspraak. Er is verbittering indien het beginsel in individueele gevallen wordt veronachtzaamd, een verbittering die een leven kan verwoesten. Er dreigt revolutie, indien een onbillijkheid in rechten niet meer als gebaseerd op werkelijke verschillen maar als willekeur wordt gevoeld. Een rechter die eenmaal iets heeft uitgemaakt tusschen A en B voelt, dat hij onrecht zou doen, als hij anders zou oordelen indien C en D hem dezelfde vraag zouden voorleggen. Zijn oordeel heeft de noodzakelijke tendens tot regel te worden."5
In de visie van Scholten volgt aldus de binding aan precedenten uit de aard van rechtspraak.6 Rechtspraak is immers weliswaar primair een beslissing van de rechter in het concrete geval, maar vanwege de werking van met name het gelijkheidsbeginsel ligt daarin steeds de mogelijkheid, ja zelfs de noodzaak van veralgemening tot een regel besloten.7
Deze redenering lijkt mij in beginsel juist: het gelijkheidsbeginsel is dermate fundamenteel van aard dat een beslissing van de rechter in het ene geval, in een volgend gelijk geval gelijk zal moeten luiden, hetgeen noodzakelijkerwijs leidt tot een gebondenheid aan precedenten. Deze gebondenheid mag evenwel niet in absolute zin worden opgevat. Het gelijkheidsbeginsel is weliswaar van fundamentele betekenis, maar geeft toch niet onder alle omstandigheden de doorslag. Ten eerste hangt de reikwijdte daarvan af van de vraag wat precies als een 'gelijk' (althans vergelijkbaar) geval moet worden beschouwd. Zo kan tijdsverloop, in combinade met veranderingen die gedurende die tijd hebben plaatsgevonden in de maatschappelijke opvattingen, een relevant verschilpunt vormen op grond waarvan een later geval niet meer als 'gelijk' met het voorgaande kan worden beschouwd. Daarnaast kunnen omstandigheden aanwezig zijn die een objectieve rechtvaardiging vormen voor een (op het eerste gezicht) ongelijke behandeling van gelijke gevallen.8 Een zodanige rechtvaardiging kan eveneens gelegen zijn in bijvoorbeeld veranderingen in maatschappelijke opvattingen, maar ook in andere argumenten.9 Het gelijkheidsbeginsel is dus wel van (zeer) groot belang, maar daarmee nog niet beslissend voor de vraag of de rechter in een concreet geval een precedent dient te volgen.
Een tweede rechtsbeginsel dat veelal wordt aangevoerd ter onderbouwing van een verplichting tot het volgen van precedenten, is het rechtszekerheids- ofwel vertrouwensbeginsel.10 Wanneer de rechter een rechtsvraag eenmaal in bepaalde zin heeft beantwoord, wekt dit het vertrouwen dat dit antwoord in een volgend geval hetzelfde zal luiden. Meer in het algemeen moeten justitiabelen erop kunnen vertrouwen dat de rechter niet de ene dag A en de andere dag B beslist. Met name - maar zeker niet uitsluitend - is dit van belang indien het gaat om de toepassing van rechtsregels die een (materieelrechtelijke of processuele) 'gedragsnorm' inhouden, aangezien men daarop zijn handelen moet kunnen afstemmen.11
Nu zou hiertegen kunnen worden ingebracht dat het vertrouwensbeginsel eerst een rol kan gaan spelen als de gebondenheid aan precedenten reeds bestaat, omdat men er pas vanaf dat moment inderdaad (gerechtvaardigd) op mag vertrouwen dat de rechter zich aan precedenten zal houden.12 In mijn ogen heeft echter iedere rechterlijke uitspraak in meerdere of mindere mate als kenmerk dat deze een oordeel inhoudt omtrent hetgeen rechtens geldt, dat afkomstig is van een met staatsmacht beklede instantie (de rechter). Dit is het element dat een rechterlijke uitspraak wezenlijk onderscheidt van de uitspraken van anderen, zoals bijvoorbeeld de doctrine,13 en dat reeds uit de aard der zaak het vertrouwen wekt dat deze uitspraak ook in latere gevallen in beginsel gevolgd zal worden.14 Het is met name dit 'institutionele' vertrouwen dat aan iedere rechterlijke uitspraak inherent is en deze een zelfstandige normatieve waarde verleent. Naarmate de rechtspraak meer gevestigd is en/of van de hoogste rechter afkomstig is, spreekt dit vertrouwen nog des te sterker.
Aldus brengt ook het vertrouwens- of rechtszekerheidsbeginsel een bepaalde binding aan precedenten met zich. Dit betekent echter niet dat het vertrouwen op eerdere rechtspraak steeds de doorslag moet geven. Evenals bij het gelijkheidsbeginsel het geval bleek te zijn, zal een beroep op het vertrouwensbeginsel weerlegd kunnen worden door voldoende sterke tegenargumenten.15
De algemene beginselen van behoorlijke rechtspleging - in het bijzonder het gelijkheidsbeginsel, alsmede het rechtszekerheids- of vertrouwensbeginsel -wijzen derhalve in de richting van gebondenheid van de rechter aan precedenten. Een onbeperkte binding vermogen zij echter niet te funderen. Dit volgt reeds uit hun karakter als beginselen.16 Hoe fundamenteel de eisen van rechtsgelijkheid en rechtszekerheid ook zijn, het zijn bovendien niet de enige, noch de beslissende argumenten ten aanzien van de vraag of de rechter zich aan eerdere uitspraken dient te houden. Tegenkrachten zijn bijvoorbeeld de eis dat de rechter ook in het concrete geval tot een rechtvaardige beslissing dient te komen en de noodzaak van flexibiliteit in het recht. Het recht moet immers kunnen veranderen onder invloed van maatschappelijke of technische ontwikkelingen, de rechtszekerheid ten spijt.17 Of, zoals het ook wel is uitgedrukt: maximale zekerheid zou maximale verstarring betekenen.18