Het onderzoek in de enquêteprocedure
Einde inhoudsopgave
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/5.4.7:5.4.7 Uitvoeren van specifieke opdrachten
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/5.4.7
5.4.7 Uitvoeren van specifieke opdrachten
Documentgegevens:
mr. drs. R.M. Hermans, datum 01-11-2017
- Datum
01-11-2017
- Auteur
mr. drs. R.M. Hermans
- JCDI
JCDI:ADS453054:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie de voorbeelden genoemd in § 5.3.2.
OK 28 juni 2002, ARO 2002/91 (Blokland Techniek), r.o. 3.11.
OK 24 februari 2012, ARO 2012/30 (Cerflex International), r.o. 3.9.
OK 25 maart 2005, JOR 2005/177 (Euroyal Properties), r.o. 3.7.
Zie § 1.4.3.
Zie bijvoorbeeld OK 24 januari 2014, JOR 2014/98, m.nt. M.W. Josephus Jitta (Novero Holdings).
Vgl. HR 2 december 2016, NJ 2017/274, m.nt. E.W.J. de Groot (Gemeente Beuningen/Van Beinum), r.o. 5.1.2.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een enkele keer krijgen de onderzoekers van de Ondernemingskamer een specifieke opdracht mee die niet direct is terug te voeren op het beleid en de gang van zaken van de rechtspersoon. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de enquêtes waarin de Ondernemingskamer de onderzoekers vroeg de waarde van bepaalde activa vast te stellen.1 In de Blokland Techniek-beschikking overwoog de Ondernemingskamer dat de te benoemen onderzoeker het tot zijn taak zou mogen rekenen met betrokkenen na te gaan of de vennootschap extra financiering nodig had en, zo ja, op welke wijze daarin het beste kon worden voorzien.2 Dit is een voorbeeld van een toekomstgerichte opdracht, die weinig met het door de rechtspersoon in het verleden gevoerde beleid te maken heeft. Als ander voorbeeld noem ik de Cerflex International-beschikking.3 In deze zaak overwoog de Ondernemingskamer dat de te benoemen onderzoeker tevens onderzoek kon doen “naar de vraag in hoeverre Cerflex voor haar huidige of toekomstige bedrijfsvoering afhankelijk is van het aan Euromedley toebehorende octrooi.”
Naar mijn mening bestaat er op zich geen bezwaar tegen dat de Ondernemingskamer de onderzoekers een specifieke taak meegeeft die strikt genomen niets met het (in het verleden) gevoerde beleid of de gang van zaken van de rechtspersoon te maken heeft. Vooral geen bezwaar is er als die opdracht mede tot doel heeft de informatie aan te dragen waardoor partijen hun geschil onderling kunnen beëindigen, gezien het grote belang van het oplossen van geschillen, zeker in besloten verhoudingen.
In de Euroyal Properties-beschikking kreeg de onderzoeker de opdracht mee de waarde van de aandelen in drie vennootschappen vast te stellen, waarbij hij een bindende, naar zijn inzicht redelijke en billijke beslissing mocht nemen.4 Opmerking verdient hierbij dat partijen de Ondernemingskamer hadden gevraagd de onderzoeker opdracht te geven hun onderlinge financiële verhoudingen en de waarde van de aandelen in enkele vennootschappen vast te stellen. Uit het systeem van het enquêterecht vloeit voort dat een vaststelling door de onderzoekers partijen niet bindt.5 Willen partijen dat hun onderlinge rechtsverhouding bindend wordt vastgesteld, dan moeten zij bindend advies overeenkomen. Dat kan ten overstaan van de Ondernemingskamer, die ook de bindend adviseur kan benoemen.6 Benoemt de Ondernemingskamer daarentegen onderzoekers, dan bindt hun oordeel partijen niet. Ik acht het niet wenselijk dat één persoon tegelijkertijd de functie van onderzoeker en bindend adviseur uitoefent. Niet alleen zijn de rechtsgevolgen van een onderzoeksverslag en een bindend advies fundamenteel verschillend, maar ook, en juist daarom, verschillen de door een onderzoeker en een bindend adviseur in acht te nemen procedures.7