Einde inhoudsopgave
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/5.4.8
5.4.8 Toezicht houden op de naleving van getroffen onmiddellijke voorzieningen
mr. drs. R.M. Hermans, datum 01-11-2017
- Datum
01-11-2017
- Auteur
mr. drs. R.M. Hermans
- JCDI
JCDI:ADS454271:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
OK 15 november 2001, JOR 2001/252, m.nt. F.J.P. van den Ingh (RNA), r.o. 2.11.
Strikt genomen had de Ondernemingskamer geen onmiddellijke voorziening getroffen. Hetgeen RNA wel en niet mocht doen, was opgenomen in r.o. 2.2-2.9 van haar beschikking.
OK 15 november 2001, JOR 2001/252, m.nt. F.J.P. van den Ingh (RNA), r.o. 2.4.
Onderzoeksverslag RNA d.d. 12 februari 2002, p. 5. Van een openbaar bod is het overigens niet meer gekomen, omdat Westfield en RNA het geschil hebben geschikt.
Onderzoeksverslag RNA d.d. 12 februari 2002, p. 4. Opmerkelijk is dat de onderzoekers deze brieven niet in afschrift hebben gezonden aan Westfield en de overige partijen. Eerst bij het onderzoeksverslag zijn de brieven overgelegd. Dit is des te opmerkelijker omdat de onderzoekers het verzenden van deze brieven aan de Ondernemingskamer kwalificeren als tussentijdse rapportering aan de Ondernemingskamer. Zie over de communicatie tussen onderzoekers en de Ondernemingskamer § 7.5.8.4.
Zo ook Den Boogert 2010, p. 192.
In dit verband is van belang dat de onderzoeksperiode, uitzonderingen daargelaten, alleen een periode gelegen vóór de beschikking van de Ondernemingskamer beslaat, terwijl de toezichthoudende taak per definitie op de periode daarna betrekking heeft. Zie hierover § 2.4.2.
De informatie waarover RNA de onderzoekers eventueel had moeten berichten, zou betrekking hebben gehad op een openbaar bod en zou dus koersgevoelige informatie hebben betroffen. Aannemelijk is dat RNA dergelijke informatie niet onmiddellijk had willen publiceren, maar een beroep op de uitstelregeling had willen doen.
Door hun aan RNA verzonden brieven in afschrift aan de Ondernemingskamer te sturen.
In de tweede RNA-beschikking1 heeft de Ondernemingskamer als taak voor de onderzoekers geformuleerd: (i) aandacht schenken aan de vraag of de met het oog op het belang van het onderzoek getroffen voorzieningen in acht worden genomen en (ii) nagaan of de getroffen voorzieningen, mede gezien de in verband daarmee gegeven motivering, toereikend zijn ter realisering van het doel waarvoor zij zijn getroffen. Mocht het antwoord op (een van) beide vragen ontkennend zijn, dan dienden de onderzoekers, al dan niet op aandringen van (een van) partijen, de Ondernemingskamer dienaangaande te informeren. De strekking van de door de Ondernemingskamer getroffen voorziening2 was dat RNA geen handelingen mochtvoorbereiden of uitvoeren die erop gericht waren de positie van Westfield als aandeelhouder aan te tasten. Wel was het RNA toegestaan een eventueel door een derde uit te brengen openbaar bod op haar aandelen te steunen.3 De onderzoekers gaven deze toezichthoudende taak vorm door zich door RNA op de hoogte te laten stellen over de wijze waarop een eventueel openbaar bod gestalte respectievelijk follow-up zou kunnen krijgen en welke medewerking RNA daaraan zou willen verlenen. Vervolgens werd de afspraak gemaakt dat alvorens RNA een bij een openbaar bod te betrekken partij enigerlei medewerking, hoe voorwaardelijk ook, zou willen toezeggen, zij daaromtrent de onderzoekers vooraf zou berichten, opdat deze zich een oordeel zouden kunnen vormen over de wenselijkheid om de Ondernemingskamer daarover in te lichten.4 In een eerder stadium hadden de onderzoekers de mondelinge mededeling van het bestuur van RNA dat het niet werkte aan de voorbereiding of uitvoering van handelingen die erop gericht waren om de positie van Westfield als aandeelhouder aan te tasten, schriftelijk, in een tweetal brieven, bevestigd en daarvan een kopie gezonden aan de Ondernemingskamer.5
De Ondernemingskamer meent dat deze taak van de onderzoekers in overeenstemming is met het stelsel van het enquêterecht en aansluit bij hetgeen blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de regeling van het enquêterecht onder ogen is gezien, namelijk dat in het bijzonder ook een tussentijds verslag van de door de Ondernemingskamer benoemde onderzoekers grondslag kan zijn voor het treffen van voorzieningen “in elke stand van het geding ”. Ik ben het daar niet mee eens.6 Het toezicht houden op de naleving van voorlopige voorzieningen kan niet worden gebracht onder het onderzoeken van het beleid en de gang van zaken van de rechtspersoon.7 Het beroep van de Ondernemingskamer op de wetsgeschiedenis mist feitelijke grondslag. Uit de wetsgeschiedenis kan niet worden afgeleid dat de onderzoekers tevens toezichthouder zijn. Het is ook niet nodig dat de onderzoekers als toezichthouder optreden. Partijen zijn mans genoeg om zelf (nadere) voorlopige voorzieningen te verzoeken indien zij menen dat de wederpartij daartoe aanleiding heeft gegeven. Mijn grootste bezwaar tegen het toekennen van een toezichthoudende taak aan de onderzoekers is dat het hen noopt om vertrouwelijk overleg te voeren met de rechtspersoon en dat de wederpartij daar niet van op de hoogte wordt gesteld.8 Dat verdraagt zich niet met de onafhankelijkheid van de onderzoekers. Nog bedenkelijker is het als ook de Ondernemingskamer daarbij wordt betrokken. In de RNA-zaak hebben de onderzoekers tussentijds aan de Ondernemingskamer gerapporteerd,9 zonder gelijktijdig een kopie van die rapportage aan de andere procespartijen te sturen. Dat is in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor. De RNA-zaak is bij mijn weten de eerste en enige keer dat de Ondernemingskamer onderzoekers een dergelijke opdracht heeft gegeven. Wat mij betreft blijft het aanstellen van onderzoekers tot toezichthouder ook beperkt tot dit ene experiment.