Einde inhoudsopgave
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/10.3.10
10.3.10 Individuele verantwoordelijkheid voor de inhoud van het verslag
mr. drs. R.M. Hermans, datum 01-11-2017
- Datum
01-11-2017
- Auteur
mr. drs. R.M. Hermans
- JCDI
JCDI:ADS454228:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie § 1.6.
Zo ook Blanco Fernández, Holtzer & Van Solinge 2004, p. 54.
In het Meavita-verslag nr. 1.18 schreven de onderzoekers dat het verslag eensluidend door beide onderzoekers werd onderschreven. Zij voegden daaraan toe dat dit niet wegnam dat ieder van de onderzoekers vanzelfsprekend vanuit zijn eigen specifieke deskundigheid en achtergrond aan het onderzoek had bijgedragen.
Te denken valt aan een onderzoek naar de vraag in hoeverre een procespartij arbeidsongeschikt is. Dit onderzoek wordt soms uitgevoerd door een arts en een arbeidsdeskundige. De arts onderzoekt in hoeverre de onderzochte persoon medische beperkingen heeft en de arbeidsdeskundige wat die beperkingen voor invloed hebben op de verdiencapaciteit van de onderzochte persoon.
In veruit de meeste onderzoeken benoemt de Ondernemingskamer één onderzoeker. Als de Ondernemingskamer echter meer dan één onderzoeker benoemt, bestaat de mogelijkheid dat de onderzoekers het over bepaalde bevindingen, oordelen of aanbevelingen niet eens kunnen worden. Bij mijn weten is dit tot op heden nog nooit voorgekomen. Het bepaalde in artikel 198 lid 4 Rv, dat ieder van de deskundigen van zijn afwijkende mening kan doen blijken, leent zich voor overeenkomstige toepassing op het onderzoek in de enquêteprocedure.1 Indien de onderzoekers op onderdelen van mening verschillen, kunnen zij dit in het onderzoeksverslag vermelden.2
Ik heb mij nog afgevraagd of de eis zou moeten worden gesteld dat als er meerdere onderzoekers zijn benoemd, zij positief moeten verklaren dat zij ieder afzonderlijk het verslag integraal onderschrijven, of op bepaalde punten een voorbehoud maken. In de praktijk gebeurt dit weleens.3 De toelichting op artikel 3.1 Gedragscode voor gerechtelijk deskundigen in civielrechtelijke en bestuursrechtelijke zaken bepaalt dat de deskundige zijn eigen oordeel onafhankelijk van andere deskundigen herkenbaar dient uit te brengen, ook als hij rapporteert in samenwerking met anderen. Ofschoon deze bepaling wellicht is ingegeven door het feit dat sommige onderzoeken in de civiele procedure worden opgedragen aan deskundigen met ieder een eigen expertise, die niet deskundig zijn op het expertiseterrein van de mede- deskundige,4 zie ik geen reden waarom deze regel niet ook in de enquêteprocedure zou moeten worden toegepast. Het opnemen van een hiertoe strekkende regel voorkomt dat onderzoekers niet-zichtbaar voor de Ondernemingskamer en partijen compromissen sluiten over de inhoud van het verslag en dwingt hen zich ervan te vergewissen of zij het verslag integraal onderschrijven of een voorbehoud willen maken met betrekking tot bepaalde bevindingen, conclusies of aanbevelingen. Deze regel zou in een nieuwe versie van de Aandachtspunten kunnen worden opgenomen.