RvdW 2025/595:Dragen van messen in een door verdachte bestuurd voertuig, art. 27 lid 1 WWM. Dubbel verstek. 1. Betekening dagvaarding in hoger beroep, art. 36e lid 2 sub b Sv. 2. Aanwezigheidsrecht. Na betekening dagvaarding in h.b. d.m.v. uitreiking aan medewerker OM maar vóór tz. in h.b. heeft verdachte zich alsnog op adres ingeschreven in BRP. Kon hof (enkelvoudige kamer) aannemen dat verdachte geen (BRP-)adres had en verstek verlenen tegen niet verschenen verdachte? Ad 1. ’s Hofs kennelijke oordeel dat dagvaarding in h.b. rechtsgeldig is betekend, geeft gelet op art. 36e lid 2 sub b Sv niet blijk van onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat verdachte op moment van betekening niet als ingezetene was ingeschreven in BRP en van hem op dat moment ook geen (feitelijke) woon- of verblijfplaats bekend was. Ad 2. Als dagvaarding van verdachte die geen bekende woon- of verblijfplaats in Nederland heeft, rechtsgeldig is betekend en verdachte niet op tz. is verschenen en zijn raadsman ook niet, kan rechter (behalve bij duidelijke aanwijzingen van tegendeel) uitgaan van vermoeden dat verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om in zijn aanwezigheid te worden berecht (vgl. HR 12 maart 2002, NJ 2002/317, m.nt. T.M. Schalken). Mogelijkheid bestaat echter dat achteraf moet worden vastgesteld dat aan recht van verdachte om in zijn aanwezigheid te worden berecht, is tekortgedaan. Dit kan zich voordoen als verdachte na rechtsgeldige betekening van dagvaarding aan medewerker OM maar voor aanvang van onderzoek ttz. alsnog in BRP is ingeschreven, zonder dat dit rechter bekend was (vgl. HR 24 november 2015, NJ 2016/20, m.nt. T.M. Schalken). Hof heeft met vermelding in p-v van tz. in h.b. dat verdachte is ‘vertrokken, onbekend waarheen’, kennelijk tot uitdrukking gebracht dat van verdachte t.t.v. betekening van dagvaarding in h.b. en onderzoek ttz. in h.b. geen inschrijving in BRP en ook geen (feitelijke) woon- of verblijfplaats bekend was. Uit informatiestaat SKDB-persoon, die aan aanzegging in cassatie is gehecht, moet echter worden afgeleid dat verdachte op moment van behandeling van zijn strafzaak in h.b. in BRP was ingeschreven op adres A. Gelet hierop is ’s hofs oordeel dat van verdachte geen inschrijving in BRP en ook geen (feitelijke) woon- of verblijfplaats bekend was, verstek kon worden verleend tegen niet-verschenen verdachte en met behandeling van zaak kon worden voortgegaan, achteraf bezien onjuist. Volgt vernietiging en terugwijzing.