Totdat het tegendeel is bewezen
Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/VII.7.1:VII.7.1 Verlichting door de wetgever I: onweerlegbare bewijsvermoedens
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/VII.7.1
VII.7.1 Verlichting door de wetgever I: onweerlegbare bewijsvermoedens
Documentgegevens:
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS600909:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie § V.8.
EHRM 30 juni 2011, nr. 30754/03, EHRC 2011/134, m.nt. Witteman (Klouvi/Frankrijk). Uit de fictie van onwaarheid destilleerde de Franse rechter in die zaak ook de wetenschap van de onwaarheid bij de aangeefster van verkrachting. Zij kon zich immers niet hebben ‘vergist’ omtrent een jegens haar begane verkrachting. Deze opeenstapeling van vermoedens vond het EHRM te gortig.
Janssens 1998, p. 165-167.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De wettelijke formulering van een onweerlegbaar bewijsvermoeden is de meest ingrijpende verlichtingsmethode. Ten gevolge van zo’n onweerlegbaar bewijsvermoeden hoeft een omstandigheid niet te worden bewezen, maar wordt deze door het bewijs van een andere omstandigheid rechtstreeks aangenomen. Aldus worden feiten bewezenverklaard zonder dat zij daadwerkelijk zijn bewezen en zelfs ongeacht of het tegendeel daarvan waar blijkt. De delictsomschrijving suggereert dan dat het aangenomen feit nodig is voor de strafwaardigheid van de gedraging. Een veroordeling communiceert dat die omstandigheid ook daadwerkelijk is vastgesteld. In werkelijkheid is echter alleen het grondfeit bewezen.
Dit is ook de meest verstrekkende inbreuk op de bewijsdimensie van de onschuldpresumptie. Het EHRM laat daarvoor relatief weinig ruimte.1 Ten aanzien van het vermoede feit bestaat voor de overheid geen bewijslast en de verdachte kan tegen de gevolgtrekking niets inbrengen. Niet alleen bij twijfel over het vermoede feit volgt veroordeling, maar zelfs bij zekerheid van de afwezigheid ervan. Voor deze methode is mijns inziens in het strafrecht eigenlijk geen plaats. Het verdient namelijk steeds de voorkeur het vermoede feit dan maar in het geheel niet als voorwaarde voor strafbaarheid te stellen, maar te volstaan met strafbaarstelling van het grondfeit. Voor de effectieve handhaafbaarheid van de verbodsnorm maakt dat geen verschil. Strafbaarstelling van alleen het grondfeit communiceert echter adequater wat in werkelijkheid wordt bewezen en bestraft.
De figuur van het onweerlegbaar vermoeden komt in het Nederlandse strafrecht dan ook weinig voor. In het commune strafrecht is artikel 265 lid 2 Sr wat dat betreft een curiosum.2 Krachtens die bepaling staat de onwaarheid van een lasterlijke aanklacht vast, indien het slachtoffer van die aanklacht in een strafzaak onherroepelijk is vrijgesproken. De verdachte van laster kan zich na de vrijspraak van het ‘slachtoffer’ dus nauwelijks nog tegen de aanklacht weren en de kern van de aanklacht – namelijk dat wat de verdachte heeft gesteld onwaar is – kan niet meer worden ontkracht. Dit terwijl een veroordeling impliceert dat iets onwaars is verkondigd. Zelfs al is de waarheid van de lasterlijke aanklacht zeer waarschijnlijk (en de onwaarheid van de laster dus zeer onwaarschijnlijk) dan vindt veroordeling plaats. Dat staat met de bewijsdimensie van de onschuldpresumptie op zeer gespannen voet. Gelet op het EHRM-arrest Klouvi/Frankrijk lijkt een Straatsburgse veroordeling te dreigen bij een stringente toepassing van die bepaling.3 Ik kan mij dan ook goed vinden in het pleidooi van Janssens voor schrapping van het vermoeden.4