Retentierecht en uitwinning
Einde inhoudsopgave
Retentierecht en uitwinning (O&R nr. 110) 2019/4.4.4.4:4.4.4.4 Verbintenisrechtelijke gebruiksrechten
Retentierecht en uitwinning (O&R nr. 110) 2019/4.4.4.4
4.4.4.4 Verbintenisrechtelijke gebruiksrechten
Documentgegevens:
mr. M.A. Heilbron, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
mr. M.A. Heilbron
- JCDI
JCDI:ADS588737:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 6 februari 1998, NJ 1999/303 m.nt. W.M. Kleijn, JOR 1998/82 m.nt. J.J. van Hees (Winters/Kantoor van de Toekomst), r.o. 4.1.3. Anders: Fesevur 2017/ 28d.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
148. De Hoge Raad heeft in het arrest Winters/Kantoor van de Toekomst de groep van derden aanzienlijk uitgebreid. In dat arrest beslist hij dat onder het begrip derden met een recht op de zaak zowel goederenrechtelijk gerechtigden als verbintenisrechtelijk gebruiksgerechtigden vallen:
“Een retentierecht kan ingevolge art. 3:291 ook worden ingeroepen tegen een derde die een recht tot gebruik van de zaak ontleent aan een tussen hem en de schuldenaar gesloten verbintenisscheppende overeenkomst.”1
In het arrest was de voornaamste rechtsvraag of Winters, een aannemer, onrechtmatig handelde (en daarmee verplicht was schade te vergoeden) jegens Kantoor van de Toekomst, die huurder van Bolduc (de opdrachtgever en schuldenaar van Winters) was door aan de werklieden van Kantoor van de Toekomst met behulp van een retentierecht de toegang tot het gebouwde te ontzeggen zolang zij nog niet betaald was. Kantoor van de Toekomst betoogde in cassatie dat jegens haar (werklieden) het retentierecht niet werkte, omdat zij slechts huurder van Bolduc was en niet goederenrechtelijk gerechtigde. De casus waarover de Hoge Raad had te oordelen ging dus over de verhouding tussen de retentor Winters en de posterieure huurder Kantoor van de Toekomst, maar gelet op de algemene formulering die de Hoge Raad kiest, meen ik dat de rechtsregel niet bepert is tot huurders. De Hoge Raad speekt in zijn algemeenheid van een derde ‘die een gebruiksrecht ontleent aan een verbintenisscheppende overeenkomst’. Het wordt wel duidelijk dat het moet gaan om een gebruiksrecht met betrekking tot de zaak. Bijvoorbeeld ook bruikleen kan hier onder worden geschaard. En wanneer een economische eigendomsoverdracht zo is ingekleed, dat de verkrijger de zaak mag gebruiken gedurende de tijd dat deze nog van de vervreemder is, kan diens recht ook worden aangemerkt als een ‘recht op de zaak’ in de zin van art. 3:291 BW. Het oordeel van de Hoge Raad correspondeert met het criterium dat ik in paragraaf 4.4.4.2 formuleerde om te toetsen of iets aan recht op de zaak geeft: huur en bruikleen geven de huurder c.q. bruiklener het recht om de zaak te gebruiken (art. 7:201 c.q. art. 7A:1777 BW) en machtsverschaffing is inherent aan gebruik van de zaak.