Einde inhoudsopgave
Bewijsrechtelijke verhoudingen verzekeringsrecht (Verzekeringsrecht) 2008/7.1.2
7.1.2 Bewijs van de order/toonderpolis
prof.mr. N. van Tiggele-van der Velde, datum 26-05-2008
- Datum
26-05-2008
- Auteur
prof.mr. N. van Tiggele-van der Velde
- JCDI
JCDI:ADS355881:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
De vraag of een certificaat beschouwd dient te worden als een waardepapier is afhankelijk van de inhoud van het certificaat en de zin die de houder ervan, alle omstandigheden in aanmerking genomen, daaraan redelijkerwijs mocht toekennen. Zie voor een toepassing het arrest van de Hoge Raad van 19 april 2002 (Zurich/Lebosch), NJ 2002, 456, m.nt. MMM.
Met de toonderpolis wordt beoogd de mogelijkheid van overdracht van de vordering op de verzekeraar te vereenvoudigen (Scheltema/Mijnssen 1998, nr. 2.37). Met de invoering van het nieuwe recht heeft de toonderpolis meer toegevoegde waarde gekregen, omdat anders dan onder het oude recht (263 K) de rechten en verplichtingen uit de verzekeringsovereenkomst ('de verzekering volgt het belang') niet zonder meer meegaan op de nieuwe verkrijger. De bepaling waarin de overgang van belang onder het huidig recht geregeld is, art. 7:948 BW (in beginsel: overgang voor een maand, behoudens wanneer verzekerde aangeeft voort te willen zetten), mist bij de order/toonderpolis toepassing.
De beperking m.b.t. het tegenwerpen van verweermiddelen geldt ingevolge art. 6:146 lid 1 BW eerst na een overdracht overeenkomstig het bepaalde in art. 3:93 BW en daarmee alleen jegens een derde houder.
Scheltema/Mijnssen 1998, nr. 2.38 wijst erop dat onbekwaamheid in het algemeen door onze wet beschouwd wordt als een algemeen bekend feit, ten aanzien waarvan de goede trouw niet mogelijk is. De wettelijke regeling van orderpapieren brengt mee dat ook het ontbreken van een deugdelijke endossering aan de houder van het papier als absoluut kan worden tegengeworpen. De categorie van absolute verweermiddelen dient nadrukkelijk te worden onderscheiden van de zgn. relatieve verweren, die spelen in de verhouding tot de verzekeringnemer zelf. Deze beperking in verweermiddelen is gerechtvaardigd daar de schuldenaar zelf met de gemakkelijke verhandelbaarheid heeft ingestemd (T.J. Mellema-Kranenburg 2007, T&C BW), art. 6:146 aant. 1).
Het aantonen van het verzekerd belang is - ondanks dat het 'hoort' bij de op de verzekerde rustende verplichtingen - met zoveel woorden ook in de wet opgenomen. Zie ook MvA, Kamerstukken I 2004/05, 19 529, B, p. 19: 'de bewijslast van de vraag of het verzekerde belang bij de verzekerde berust, rust op de polishouder die uitkering verlangt: om van het wettelijk vermoeden van verzekerd zijn te kunnen profiteren, is het aan hem om het nodige te doen ter vaststelling dat het verzekerd belang bij hem berust. Slaagt hij daar niet in, dan zal de verzekeraar uitkering kunnen weigeren.'
Bij de regeling zoals deze thans in lid 3 van art. 7:932 is opgenomen was oorspronkelijk opgenomen dat ter zake van de order/toonderpolis voor de verzekeraar geen verplichting gold tot het afgeven van een nieuw stuk, dit vanuit de vrees voor dubbele betaling. Deze bepaling is uiteindelijk in 2000 komen te vervallen. Enerzijds onder de redevoering dat de vrees voor dubbele betaling, gegeven het feit dat bij de claim onder de polis ook het verzekerd belang aangetoond diende te worden, niet heel reëel geacht werd. Anderzijds door het afgeven van de 'nieuwe' polis te verbinden aan de mogelijkheid voor verzekeraar om van de polishouder van het 'nieuwe' stuk te verlangen dat hij zekerheid stelt voor de tijd dat de verzekeraar nog aan een vordering bloot zal kunnen staan. Zie NvW, Kamerstukken II 1999/2000, 19 529, nr. 5, p. 24.
In de handelspraktijk wordt het 'bewijsstuk', zoals de polis in art. 7:932 lid 3 BW wordt aangeduid, in voorkomende gevallen aan order of aan toonder gesteld. Dat kan omdat in beginsel elk vorderingsrecht, dus ook het vorderingsrecht uit de verzekeringsovereenkomst op die manier als een waardepapier in het handelsverkeer gebracht kan worden.1 Het voordeel van een dergelijke constructie is dat degene aan wie de order is gegeven respectievelijk degene die het papier houdt, recht heeft om de verzekeraar aan te spreken: degene die het document toont, legitimeert zich als rechthebbende, mits - zoals art. 7:949 BW met zo veel woorden vereist - het verzekerd belang bij hem rust.2
Bewijsrechtelijk leidt het voorgaande tot het volgende beeld. De legitimatie schept een vermoeden van vorderingsgerechtigdheid, waartegen het vervolgens desgewenst aan de verzekeraar is om aan te voeren dat er absolute verweermiddelen opgebracht kunnen worden, die aan betaling aan de houder in de weg staan.3 Het gaat daarbij om feiten die uit het stuk zelf of uit het stuk zelf in verband met objectief algemeen bekende gegevens, kunnen worden gekend, zoals verjaring, vormgebreken of onbekwaamheid.4Voorts geldt dat het feit dat een polis of certificaat op naam is gesteld dan wel aan order of toonder luidt, geen verschil maakt voor (het bewijs van) de voorwaarden waaraan voldaan dient te worden om te komen tot een betalingsverplichting aan de zijde van de verzekeraar. In beide gevallen dient door verzekerde respectievelijk de houder van het stuk te worden gesteld en eventueel bewezen dat sprake is van intreden van een onzeker voorval waartegen is verzekerd en dat heeft geleid tot schade in een bij hem rustend verzekerd belang (zie voor dit laatste aspect hierna onder 7.2.3).5Op deze punten geldt dus geen aan deze verschijningsvorm van de polis eigen bijzondere verplichting voor een der partijen. Dat geldt evenmin voor het geval dat de verzekeraar, die zich geconfronteerd ziet met een verzoek tot dekking onder de polis, dat verzoek afwijst: het is dan net als bij de 'gewone' polis aan hem om te bewijzen op welke (uitsluitings)gronden hij dat doet.
Bedacht zij hierbij wel, dat bij een typisch relatief verweer, zoals een beroep op verzwijging, verzekeraar in zijn relatie tot een opvolgend polishouder niet tot het bewijs van die verzwijging kan worden toegelaten. De verzekeraar kan aan de houder van de polis, die uitkering vordert, immers geen verweermiddelen tegenwerpen die gegrond zijn op zijn verhouding tot de verzekeringnemer of een vorige houder. Dat is op grond van het bepaalde in art. 6:146 BW slechts anders indien dit verweermiddel op het tijdstip van de overdracht aan de verkrijger van de polis (en diens rechtsopvolgers) bekend was of voor hem kenbaar was uit de polis(voorwaar-den)/het certificaat. Het is aan verzekeraar om deze uitzondering op de in beginsel voor de derde-houder van het waardepapier geldende bescherming, te stellen en zo nodig te bewijzen.
Afgifte nieuw bewijsstuk
Het met de toonderpolis verkregen gemak om zich als vorderingsgerechtigd onder de verzekeringsovereenkomst te legitimeren gaat natuurlijk teniet, indien het door de verzekeraar afgegeven 'bewijsstuk' verloren gaat. De wetgever is de (opvolgend) gerechtigde onder de polis (uiteindelijk)6tegemoet gekomen door in art. 7:932 lid 3 BW te voorzien in de mogelijkheid om een nieuw stuk op te vragen. Juist immers bij zaken die door middel van documenten plegen te worden verhandeld, spreekt het belang om over schriftelijk bewijs van de inhoud van de verzekeringsovereenkomst te beschikken, voor zich.