Einde inhoudsopgave
Bewijsrechtelijke verhoudingen verzekeringsrecht (Verzekeringsrecht) 2008/3.2.2
3.2.2 De aan het doen van de mededeling tot afwijzing van het aanbod te stellen eisen
prof.mr. N. van Tiggele-van der Velde, datum 26-05-2008
- Datum
26-05-2008
- Auteur
prof.mr. N. van Tiggele-van der Velde
- JCDI
JCDI:ADS359374:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Asser/Clausing & Wansink 2007, nr. 117.
Zie Asser/Clausing & Wansink 2007, nr. 117.
Voor de zuiverheid van het voorbeeld ga ik er van uit dat het aanvraagformulier de verzekeraar bereikt heeft. Op het moment dat de verzekeraar stelt dat dat niet zo is, is het strikt genomen eerst aan de aspirant-verzekeringnemer om te bewijzen dat het aanbod hem, verzekeraar, wél bereikt heeft (alvorens aan enige opdracht aan de verzekeraar als door mij hierna in de hoofdtekst omschreven, toegekomen wordt).
Zie nader hiervoor onder 2.1.
Vergelijk, zij het in de sleutel van de toepasselijkheid van algemene voorwaarden, Rb. Rotterdam 1 juni 2005, NJ F 2005, 343.
Vgl. ook voor België Civ. Bruxelles 18 december 1995, Pas. 1995 III, 51: Lorsqu'un courtier d'assurance demande par téléphone ä un assureur l'extension d'une police d'assurance de responsabilité civile relative ä une automobile au risque de vol et qu'il n'existe aucun élément de prevue de l'accord de l'assureur, un contrat d'assurance ne peut être considéré comme conclu. Le mandat ne peut être invoqué pour justifier l'obligation de l'assureur de couvrir le risque, lorsque celui qui l'invoque ayant pu croire dans un premier temps ä la couverture du risque, aurait du se rendre compte ultérieurement que le risque n'était pas couvert, n'ayant regu de l'assureur ni document quelconque, ni demande de paiement de prime et quatre mois s'étant écoulés entre la proposition d'assurance et le sinistre.
Zoals hiervoor eerder aan de orde is gesteld, zegt de verzekeraar die de meerbedoelde 14-dagen-clausule hanteert aan de verzekeringnemer toe de aangeboden post, de aanvraag, in beginsel te zullen aanvaarden. Dit is anders, zo zegt de clausule tegelijkertijd, indien de verzekeraar binnen 14 dagen aan de aspirant-verzekeringnemer kenbaar maakt dat de aanvraag niet of nog niet wordt aanvaard. Of, populair gezegd, als de aspirant-verzekeringnemer binnen die 14 dagen niets hoort, heeft hij dekking met ingang van de door hem voorgestelde ingangsdatum. Door deze formulering wordt het belang van de (aspirant-)verzekeringnemer dat de mededeling van de verzekeraar in deze hem ook daadwerkelijk bereikt, heel groot. Waar doorgaans binnen het verzekeringsrecht immers er vanuit gegaan wordt dat de verzekeringnemer aan het enkele feit van stilzwijgen niet het gerechtvaardigd vertrouwen mag ontlenen dat de verzekering op de door hem in het aanvraagformulier aangegeven datum is ingegaan,1 is dat door het gebruik van de meerbedoelde clausule nu juist anders. De door de verzekeraar zelf gekozen formulering in het door de aspirant-verzekeringnemer ondertekende aanvraagformulier, duidt immers op een afspraak tussen partijen, die ruimte biedt voor een afwijking van dit uitgangspunt:2 bij stilzwijgen wordt de overeenkomst nu juist wel geacht te zijn gesloten.
De vraag die vervolgens rijst, is of deze gekozen formulering (mede) invulling geeft aan de manier waarop de verzekeraar aan zijn wederpartij, de aspirant-verzekeringnemer, mededeling van aanvaarding of afwijzing doet. Andermaal een voorbeeld ter illustratie. Stel, aspirant-verzekeringnemer vraagt op 15 mei een inboedelverzekering aan. Op het aanvraagformulier, waarin de bedoelde 14-dagen-clausule opgenomen is, geeft de aspirant-verzekeringnemer aan dat hij met ingang van 20 mei dekking wil. De verzekeraar wil om hem moverende redenen de post niet aanvaarden en stuurt de aspirant-verzekeringnemer op 21 mei een mededeling waarin hij aangeeft dat en op welke grond hij het aanbod afwijst. Op 4 juni brandt de door verzekeringnemer gehuurde woning met de zich daarin bevindende inboedel volledig af. De (aspirant-)verzekeringnemer wendt zich tot de verzekeraar voor vergoeding van de geleden schade en krijgt - met een beroep op de door verzekeraar gedane afwijzing - nul op rekest. De (aspirant-)ver-zekeringnemer beroept zich erop dat de betreffende mededeling hem nimmer bereikt heeft.
Hoe vertaalt zich nu dit een en ander in een eventueel door de (aspirant-) verzekeringnemer op te starten procedure tot nakoming van de (naar zijn oordeel gesloten) overeenkomst (of een verklaring voor recht dat de overeenkomst als zodanig gesloten is)? Voor de (aspirant-)verzekeringnemer is het onderbouwen van zijn standpunt lastig. Strikt genomen, immers, beschikt hij over niet meer dan een door hem ingevuld en ondertekend aanvraagformulier, het aanbod tot het sluiten van een inboedelverzekering.3Ter adstructie van zijn vordering kan hij dan ook in de regel niet veel anders dan volstaan met te stellen dat hij, gelet op de formulering van de 14-dagen-clausule, er vanuit mocht gaan dat de verzekeraar de aangeboden post in beginsel zou aanvaarden. En dat alleen bij bericht dat dat (nog) niet zo zou zijn, hij geen dekking zou hebben. De (aspirant-)verzekeringnemer zal zich in de procedure er vervolgens op beroepen dat een dergelijke mededeling van verzekeraar hem niet bereikt heeft, dat hij er derhalve vanuit mocht gaan dat de verzekeringsovereenkomst op de door hem voorgestelde ingangsdatum is ingegaan en dat hij recht heeft op dekking.
Onder deze omstandigheden is het - in lijn met de hoofdregel van art. 150 Rv - aan de verzekeraar die zich, als afzender, beroept op het rechtsgevolg van de door hem tot de ander gerichte verklaring ('de overeenkomst is niet tot stand gekomen, want ik, verzekeraar, heb het aanbod tijdig afgewezen; zie mijn mededeling van 21 mei') om te bewijzen dat deze verklaring de geadresseerde wel (tijdig) heeft bereikt. Of dat - zo dit niet zou komen vast te staan - het niet (tijdig) bereiken het gevolg is geweest van een voor rekening van de geadresseerde komende omstandigheid als in art. 3:37 lid 3 vermeld.4 Ook hier geldt immers dat de (schriftelijke, zie art. 7:933 lid 1 BW) mededeling, wil deze haar werking hebben, de wederpartij dient te hebben bereikt. Dat geldt temeer nu juist de formulering van de 14-dagen-clausule bijdraagt aan de bij de (aspirant-)verzekeringnemer levende gedachte dat bij gebreke van enige mededeling van de zijde van de verzekeraar, de verzekeringsovereenkomst tot stand is gekomen. Slaagt verzekeraar in het hem opgelegde bewijs niet, dan mag de verzekeringnemer mijns inziens er vanuit gaan dat de overeenkomst is ingegaan op 20 mei en is de schade in beginsel gedekt.
In het door mij hiervoor gehanteerde voorbeeld ligt de datum van het scha-devoorval dicht op die waarop de 14-dagen-termijn afloopt. Die keuze was een bewuste omdat er mijns inziens in het verlopen van de tijd een omslagpunt zal (moeten) zijn, waarop door de (aspirant-)verzekeringnemer niet langer het standpunt in zal kunnen nemen dat hij - met een beroep op de clausule - erop mocht vertrouwen dat de overeenkomst tot stand was gekomen. Ik denk daarbij aan de situatie waarin ook na verloop van een aantal weken na het verstrijken van de 14-dagen-termijn de (aspirant-)verzeke-ringnemer van de verzekeraar (nog steeds) niets vernomen heeft. Tegenover het eerder bedoelde gerechtvaardigd vertrouwen dat de overeenkomst als zodanig tot stand gekomen was, staat dan dat van de verzekeraar die op zijn beurt van de (aspirant-)verzekeringnemer, die weet, althans behoort te weten dat hij de polis en premienota dient te ontvangen, mag verwachten dat deze op enig moment bij de verzekeraar informeert of juist is dat en/of waarom hij nog geen polisbescheiden en/of premienota heeft mogen ont-vangen.56 Een vast moment voor dit omslagpunt (naar bijvoorbeeld aantallen weken) hoeft en kan daarbij niet worden geduid. De verzekeringnemer heeft immers geen bekendheid met de door een verzekeraar gebruikelijk of gemiddeld gehanteerde termijnen waarbinnen hij van de verzekeraar zou moeten vernemen. Een periode van een week of zes komt daarbij mijns inziens evenwel niet onredelijk voor. Bovendien is het een kleine moeite voor hem om bij de verzekeraar even te informeren en daarmee de aan zijn zijde bestaande onduidelijkheid op te heffen.