Einde inhoudsopgave
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/7.5.8.3
7.5.8.3 Communicatie met de raadsheer-commissaris
mr. drs. R.M. Hermans, datum 01-11-2017
- Datum
01-11-2017
- Auteur
mr. drs. R.M. Hermans
- JCDI
JCDI:ADS454248:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie § 9.4.2.2 (aanwijzingen aan de onderzoekers) en § 6.5 (bevelen tot medewerking).
Zie Haantjes & Olden 2003, p. 167 (Kamerstukken II 2011/12, 32887, 6, p. 28).
Indien de onderzoekers de raadsheer-commissaris zelf om een aanwijzing vragen, kunnen zij geen afschrift van het verzoek sturen aan partijen, maar moeten zij afwachten wie de raadsheer-commissaris als belanghebbende aanmerkt.
Naar de huidige stand van zaken zijn er geen andere redenen voor de onderzoekers om met de raadsheer-commissaris te communiceren. In § 9.4.4 geef ik een overzicht van mogelijke (nieuwe) taken van de raadsheer-commissaris. Als mijn suggesties worden overgenomen, betekent dit uiteraard ook dat de communicatie tussen de onderzoekers en de raadsheer-commissaris zal toenemen en dat daarin andere onderwerpen aan de orde kunnen moeten worden gesteld.
Daarbij doet het er niet toe wat de aard van de procedure is. Het kan gaan om een verzoek onmiddellijke voorzieningen te treffen of te wijzigen, een verzoek het onderzoeksbudget te verhogen of om een tweedefaseprocedure.
De raadsheer-commissaris houdt toezicht op het onderzoek. Dit toezicht bestaat uit de mogelijkheid de onderzoekers aanwijzingen te geven alsmede bevelen als bedoeld in artikel 2:352 BW.1 In beide gevallen is er sprake van een concreet verzoek daartoe door partijen aan de raadsheer-commissaris, die vervolgensbepaalt welke partijen op het verzoek worden gehoord.2 De onderzoekers moeten afschrift van hun correspondentie met de raadsheer-commissaris zenden aan die partijen die door de raadsheer-commissaris bij het desbetreffende verzoek als belanghebbende zijn aangemerkt.3 Aan andere partijen behoeven de onderzoekers geen afschrift te zenden van hun correspondentie met de raadsheer-commissaris.4
De inhoud van de correspondentie tussen de onderzoekers, de raadsheer-commissaris en de partijen die dat aangaat, behoort niet kenbaar te zijn voor de Ondernemingskamer indien deze correspondentie niet beschikbaar is gesteld voor alle partijen die in de procedure als procespartij zijn verschenen.5 Dit vloeit voort uit artikel19 lid 1 Rv, dat onder meer bepaalt dat de rechter zijn oordeel niet ten nadele van een der partijen baseert op bescheiden of andere gegevens waarover die partij zich niet heeft kunnen uitlaten. Ofschoon deze bepaling niet uitsluit dat de Ondernemingskamer kennis mag nemen van bepaalde bescheiden zolang zij die maar niet ten nadele van een partij gebruikt, kan de Ondernemingskamer beter niet van deze uitzondering gebruikmaken. Omdat er in de enquêteprocedure meerdere belanghebbenden zijn, met onderscheiden belangen, is het nogal lastig om per document te beoordelen of dit wellicht ten nadele van een partij kan worden gebruikt. Om die reden lijkt het mij beter als harde regel in te voeren dat correspondentie met de raadsheer-commissaris alleen voor de Ondernemingskamer kenbaar is indien de inhoud daarvan kenbaar is voor alle partijen. Daarbij is het niet vereist om deze stukken onderdeel te laten zijn van het procesdossier. Wel moet in de beschikking van de raadsheer-commissaris de zakelijke inhoud van de desbetreffende stukken worden weergegeven.