Einde inhoudsopgave
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/10.3.4
10.3.4 Handhaving van de vertrouwelijkheid van het onderzoek, voor zover mogelijk gezien de doeleinden van de enquête
mr. drs. R.M. Hermans, datum 01-11-2017
- Datum
01-11-2017
- Auteur
mr. drs. R.M. Hermans
- JCDI
JCDI:ADS454230:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie § 1.2.1.
Zie § 7.4.8.
Zie § 7.3.5.
Zie § 10.3.5.
Vgl. HR 13 maart 2015, JBPR 2015/47 (X/Y), r.o. 3.4.
OK 6 januari 2005, JOR 2005/6, m.nt. M.W. Josephus Jitta (Ahold), r.o. 4.4.
OK 2 november 2015, JOR 2016/61, m.nt. P. van Schilfgaarde, AA 2016, afl. 3, p. 191-200, m.nt.M.J.G.C. Raaijmakers (Meavita), r.o. 3.3.
Zie artikel 2:353 BW. De verschillende aspecten van deze bepaling bespreek ik in § 11.2-§ 11.4.
Voor de goede orde merk ik op dat de Ondernemingskamer een discretionaire bevoegdheid heeft een enquête te gelasten. Bij haar beslissing om van die discretionaire bevoegdheid al dan niet gebruik te maken, mag zij wel degelijk het belang van de verzoekers om door middel van het onderzoek bewijs te verzamelen ten behoeve van een andere procedure afwegen tegen het belang van de rechtspersoon bij vertrouwelijkheid. De Ondernemingskamer kan bij die afweging betrekken dat de verzoekers ook andere, en voor de rechtspersoon minder belastende, mogelijkheden ten dienste staan om bewijs te verzamelen. Wat ik hier betoog, is dat als de Ondernemingskamer eenmaal een enquête heeft gelast (hetgeen betekent dat zij geen gebruik heeft gemaakt van haar discretionaire bevoegdheid het verzoek af te wijzen, ook al is er sprake van gegronde redenen om aan een juist beleid of juiste gang van zaken te twijfelen), het belang van de rechtspersoon om te voorkomen dat de verzoekers bewijsmiddelen in handen krijgen voor eventuele vervolgprocedures, in beginsel geen rechtens te respecteren belang meer is.
Een van de belangrijkste doeleinden van de enquêteprocedure is het verkrijgen van opening van zaken.1 Echter, door het geven van opening van zaken kan ook informatie ter tafel komen die de gerechtvaardigde belangen van de rechtspersoon kan schaden. De wetgever heeft dat erkend. Daarom bevat artikel 2:351 lid 3 BW een geheimhoudingsplicht voor de onderzoekers en is de kring van personen die kennis kan nemen van het verslag in beginsel beperkt. Vertrouwelijkheid is een van de beginselen van behoorlijk onderzoek.2 Er is dus een spanningsveld tussen enerzijds het belang van de rechtspersoon bij vertrouwelijkheid, en anderzijds het onderzoeksbelang dat de relevante feiten op tafel komen en daarover kan worden gerapporteerd.3 De onderzoekers zullen met dat spanningsveld om moeten gaan, niet alleen bij de uitvoering van het onderzoek, maar vooral ook bij het opstellen van het verslag. Zij moeten in het verslag de onderzoeksopdracht beantwoorden, maar niet méér informatie vermelden dan voor de beantwoording daarvan nodig is.
In abstracto hebben de onderzoekers bij het opstellen van het verslag vier mogelijkheden om hiermee om te gaan. In de eerste plaats kunnen zij ervoor kiezen bepaalde informatie waarover zij tijdens het onderzoek de beschikking hebben gekregen, niet in het verslag te vermelden. Dan biedt het verslag in dat opzicht geen opening van zaken en laten de onderzoekers het belang dat de rechtspersoon bij vertrouwelijkheid heeft, prevaleren boven het belang bij opening van zaken van de verzoekers en eventuele belanghebbenden. Een tweede mogelijkheid is dat de onderzoekers in het onderzoeksverslag bepaalde bevindingen in algemene termen weergeven, zonder de bronnen waarop die bevindingen zijn gebaseerd te citeren, of deze zelfs maar te noemen. Of, en in hoeverre, dit mogelijk is, wordt bepaald door het verifieerbaarheidsbeginsel.4 Dit beginsel brengt mee dat de feitelijke bevindingen in het verslag verifieerbaar moeten zijn. Als de onderzoekers bevindingen globaal weergeven, zonder die te specificeren en aan te geven aan welke bronnen zij deze hebben ontleend, is het voor verwerende partijen moeilijk die bevindingen te weerleggen. Indien in een eventuele tweedefaseprocedure partijen aanvoeren dat zij daardoor in hun verdediging zijn geschaad, zal de Ondernemingskamer moeten beoordelen of het verslag zonder schending van het beginsel van hoor en wederhoor aan haar beslissing ten grondslag kan worden gelegd.5 Een derde optie is dat de onderzoekers zonder enige terughoudendheid hun bevindingen in het verslag vermelden, en die bevindingen onderbouwen met citaten uit de brondocumenten waarin zij bij het onderzoek inzage hebben gekregen en uit gespreksverslagen van door hen gehoorde personen. De laatste, en meest vergaande, mogelijkheid die de onderzoekers hebben, is dat zij niet alleen zonder terughoudendheid hun feitelijke bevindingen in het verslag vermelden, maar ook de documenten waarop zij hun bevindingen baseren als bijlagen bij het verslag voegen.
De Ondernemingskamer heeft in de Ahold-beschikking beslist dat het in beginsel aan de onderzoekers is om te bepalen welke delen van door hen geraadpleegde documenten via citaten in het onderzoeksverslag dan wel via opname in de bijlagen openbaar, althans aan partijen kenbaar, gemaakt kunnen worden.6 Deze uitspraak dateert van voor de publicatie van de Aandachtspunten. In Aandachtspunt 4.3 heeft de Ondernemingskamer opgenomen dat het aanbeveling verdient om bij het verslag bijlagen te voegen, zoals gespreksverslagen en schriftelijke stukken waaraan wezenlijke bevindingen zijn ontleend. In de Meavita-beschikking heeft de Ondernemingskamer deze aanbeveling afgezwakt door te overwegen dat het weliswaar“ in het algemeen” aanbeveling verdient gespreksverslagen aan het onderzoeksverslag te hechten, maar dat er geen sprake is van een dwingend voorschrift dat afbreuk doet aan het uitgangspunt dat de onderzoekers vrij zijn in de uitvoering van de hun opgedragen taak en dat zij het onderzoek naar eigen inzicht inrichten.7
Deze uitspraak geeft de onderzoekers inhoudelijk weinig houvast hoe met het spanningsveld tussen vertrouwelijkheid en opening van zaken om te gaan. Er is wel een paar handvatten te geven. Uitgangspunt is dat het onderzoek in het belang van de rechtspersoon, en niet in het belang van belanghebbenden, vertrouwelijk is. Verder wordt de vertrouwelijkheid van het onderzoek ook gewaarborgd doordat de kring van personen voor wie het verslag ter inzage ligt beperkt is en het in beginsel anderen dan de rechtspersoon zonder machtiging van de voorzitter van de Ondernemingskamer niet is toegestaan mededelingen te doen uit het verslag.8 Het is dus niet zo dat hetgeen in het verslag is vermeld reeds daardoor buiten de kring van partijen bekend geraakt. Ook bijlagen die aan het verslag worden gehecht zijn daardoor niet zomaar voor eenieder kenbaar. Met deze uitgangspunten in het achterhoofd kunnen de volgende handvatten voor onderzoekers worden geformuleerd:
Het belang van de rechtspersoon om te voorkomen dat de verzoekers of belanghebbenden bewijsmiddelen in handen krijgen voor een tegen hem in te dienen vordering, weegt bij het opstellen van het verslag in beginsel niet op tegen het belang van de verzoekers bij het verkrijgen van opening van zaken.9 De bescherming voor de rechtspersoon is voldoende gewaarborgd doordat de verzoekers alleen met machtiging van de voorzitter van de Ondernemingskamer mededelingen uit het verslag mogen doen. Dit is anders indien de onderzoekers kunnen voorzien dat de Ondernemingskamer het verslag voor eenieder ter inzage zal leggen, in welk geval de onderzoekers de belangen van de rechtspersoon bij vertrouwelijkheid en de verzoekers en belanghebbenden bij opening van zaken moeten afwegen;
Het belang van (voormalige) bestuurders en commissarissen om te voorkomen dat de verzoekers of belanghebbenden bewijsstukken in handen krijgen voor een tegen hen in te stellen vordering is, behoudens bijzondere omstandigheden, geen belang van de rechtspersoon en verdient om die reden in beginsel geen bescherming;
Indien de rechtspersoon in staat van faillissement verkeert en geen onderneming meer drijft, heeft hij in beginsel geen belang meer bij vertrouwelijkheid. Uitzonderingen op dit beginsel zijn denkbaar, bijvoorbeeld als de door de rechtspersoon gedreven onderneming voor of na faillissement door een derde is voortgezet;
Naarmate de vertrouwelijke informatie ouder is, neemt het belang van de rechtspersoon bij vertrouwelijkheid af, en kan het belang van de verzoekers bij opening van zaken eerder prevaleren.
Voor de goede orde merk ik op dat het belang van de rechtspersoon bij vertrouwelijkheid niet het enige belang is dat de onderzoekers moeten meenemen in hun afweging. Ook andere belangen, zoals de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van individuen en het onderzoeksbelang, kunnen meebrengen om niet uit brondocumenten te citeren of brondocumenten of gespreksverslagen niet als bijlage bij het verslag te voegen.