Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/III.5.3.3
III.5.3.3 Kwalificatie- en strafuitsluitingsgronden
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS595127:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Het verdragsrecht wijst ook in die richting. Zie hierna § V.5.
Anders: Roberts 2002. Hij legt sterk de nadruk op de communicatieve dimensie van wettelijke delictsomschrijvingen en suggereert dat de wetgever daarmee niet alleen de strafrechtelijke aansprakelijkheid definieert, maar ook de aan het bewijs te stellen eisen. Nog daargelaten dat in elk geval in Nederland de vraag is of de wetgevingssystematiek van een dergelijke bewuste keuze inderdaad steeds blijk geeft, lijkt mij daarnaast op basis van het grondrechtelijk karakter van de onschuldpresumptie nu juist niet uitgesloten dat ook de mogelijkheden die de wetgever heeft om de belangen van het individu op te offeren aan die van de gemeenschap erdoor worden beperkt.
Zie aldus uitdrukkelijk EHRM 7 oktober 1988, nr. 10519/83, NJ 1991, 351 m.nt. Alkema (Salabiaku/Frankrijk).
Zie over deze ‘bedreiging’ van de onschuldpresumptie Ashworth 2006, p. 81-83. Illustratief is het door Koopman (1996, p. 30) gegeven voorbeeld van hypothetische wijziging van het verkrachtingsdelict. In dat voorbeeld luidt lid 1: Hij die zich samen met een ander ophoudt in een ruimte zonder dat getuigen aanwezig zijn, wordt als schuldig aan verkrachting, gestraft (enz.); lid 2: Niet strafbaar is hij die aantoont in die ruimte niet door geweld [...] die ander te hebben gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestaan uit [...] het seksueel binnendringen van het lichaam. Vgl. ook Feteris, annotatie bij: EHRM 7 oktober 1988, nr. 10519/83, FED 1990, 420 (Salabiaku/Frankrijk); Levy 2013, p. 281-299. Wél beslissend voor het toepassingsbereik van de onschuldpresumptie, wordt deze tweedeling geacht door bijv. Hartmann 1998, p. 136; Stijnen 2011, p. 593.
Zie bijv. Fettweis 1985, i.h.b. p. 146 (België); Stumer 2010, p. 8 e.v. (Verenigd Koninkrijk). Zie ook art. 67 van het Statuut van Rome dat voor de afwezigheid van excepties de bewijsmaatstaf van beyond reasonable doubt voorschrijft.
Canadees Supreme Court 14 juli 1988, 2 S.C.R. 3 (R/Whyte).
Het openstaan van kwalificatie- en strafuitsluitingsgronden geeft eveneens uitdrukking aan bestrafbaarheidsvoorwaarden. Het ligt daarom voor de hand deze feiten binnen de reikwijdte van de bewijsdimensie te doen vallen.1 Zij zijn immers bepalend voor het antwoord op de vraag óf iemand kan worden bestraft. De grenzen aan strafwaardig gedrag worden niet alleen bepaald door de wettelijke delictsomschrijving, maar ook door de openstaande verweren. De boodschap die de strafwet vertolkt ligt steeds deels besloten in de aan- of afwezigheid van excepties. Er bestaat mijns inziens geen goede reden om de veroordeling van iemand die niet-wederrechtelijk of niet-verwijtbaar handelde per definitie als minder onwenselijk te beschouwen dan de veroordeling van iemand die een bestanddeel van een delictsomschrijving niet heeft vervuld. Dat wederrechtelijkheid en verwijtbaarheid in het Nederlandse strafrecht ook (impliciet) bestanddeel zijn, ondersteunt de gedachte dat de bestanddelen en excepties in dat opzicht niet consequent en principieel van elkaar verschillen.2 Daar komt bij dat de onschuldpresumptie zich niet alleen tot de rechter richt, maar ook tot de wetgever die bewijslast bij de verdachte kan leggen.3 Zou door de vormgeving van een straf-baarheidsvereiste als exceptie de onschuldpresumptie buiten toepassing blijven, dan is het beginsel tandeloos.4 Ook in de landen om ons heen pleegt men de feitenvaststelling met betrekking tot excepties op grond van de bewijsdimensie van de onschuldpresumptie te problematiseren en aan dat beginsel te toetsen.5
Een en ander is mooi verwoord door het Canadees Hooggerechtshof in de zaak R/Whyte:
“The short answer to this argument is that the distinction between elements of the offence and other aspects of the charge is irrelevant [...]. The real concern is not whether the accused must disprove an element or prove an excuse, but that an accused may be convicted while a reasonable doubt exists. When that possibility exists, there is a breach of the presumption of innocence. [...] The exact characterization of a factor as an essential element, a collateral factor, an excuse, or a defence should not affect the analysis of the presumption of innocence. It is the final effect of a provision on the verdict that is decisive. If an accused is required to prove some fact on the balance of probabilities to avoid conviction, the provision violates the presumption of innocence because it permits a conviction in spite of a reasonable doubt in the mind of the trier of fact as to the guilt of the accused.”6