Het onderzoek in de enquêteprocedure
Einde inhoudsopgave
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/6.3.7:6.3.7 Inzage van de boeken van de rechtspersoon bij de curator
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/6.3.7
6.3.7 Inzage van de boeken van de rechtspersoon bij de curator
Documentgegevens:
mr. drs. R.M. Hermans, datum 01-11-2017
- Datum
01-11-2017
- Auteur
mr. drs. R.M. Hermans
- JCDI
JCDI:ADS455464:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Vz OK 27 februari 2009, JOR 2009/107, m.nt. J.J.M. van Mierlo (KPNQwest). Het cassatieberoep tegen deze beschikking met voornamelijk procedurele klachten is verworpen door HR 20 november 2009, JOR 2010/8, m.nt. M. Brink (KPNQwest).
J.J.M. Van Mierlo, annotatie bij Vz OK 27 februari 2009, JOR 2009/107 (KPNQwest).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de KPNQwest-zaak heeft de voorzitter van de Ondernemingskamer beslist dat de curatoren van KPNQwest, die op grond van artikel 92 Fw de boeken, bescheiden en gegevensdragers van KPNQwest onder zich hadden en – feitelijk als enigen – in staat waren de in artikel 2:351 lid 1 BW bedoelde raadpleging mogelijk te maken, gehouden waren de door de onderzoekers verzochte inzage te verlenen.1 De curatoren hadden zich op het standpunt gesteld dat zij de gevraagde inzage niet mochten verlenen omdat dit in strijd zou zijn met het belang van de faillissementsboedel. De voorzitter van de Ondernemingskamer verwierp dit betoog met de redenering dat zowel de vennootschap als degenen die boeken, bescheiden en andere gegevensdragers van de vennootschap onder zich hebben, aan de onderzoekers zonder voorbehoud hun medewerking dienen te verlenen en dat een belangenafweging niet aan de orde kon komen. Deze uitspraak is bekritiseerd door Van Mierlo.2 Hij betoogt dat de verzochte inzage het belang van de verzoeker tot de enquête diende, namelijk om de bestuurders en commissarissen van KPNQwest aansprakelijk te stellen, hetgeen tegenstrijdig was met het belang van de curatoren, die in het belang van de crediteuren hetzelfde zouden willen doen. Medewerking aan het verzoek zou daarom niet in het belang van de boedel zijn. Ik ben het met deze kritiek niet eens. Ook al leert de praktijk dat de enquête naar een failliete rechtspersoon wordt gebruikt om bewijs te verzamelen met het oog op een aansprakelijkstelling van (onder meer) bestuurders, het doel van de enquête is het verkrijgen van opening van zaken. Zonder een medewerkingsplicht van de curator kan dat onderzoek feitelijk niet plaatsvinden. Daarom brengt de strekking van het enquêterecht mee dat de curator in beginsel moet meewerken. Wel meen ik dat de curator zijn medewerking afhankelijk mag maken van de eis dat de kosten die hij moet maken, door de onderzoekers (vanuit het onderzoeksbudget) aan de boedel worden vergoed. Het kan niet zo zijn dat de crediteuren van de rechtspersoon daarvoor op moeten draaien.