Einde inhoudsopgave
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/7.6.6.5
7.6.6.5 De gang van zaken bij formele gesprekken
mr. drs. R.M. Hermans, datum 01-11-2017
- Datum
01-11-2017
- Auteur
mr. drs. R.M. Hermans
- JCDI
JCDI:ADS459079:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie § 7.5.5.2.
HR 13 juni 2014, NJ 2014/358, m.nt. P. van Schilfgaarde, JOR 2014/261, m.nt. J.M. Blanco Fernández (Greenchoice), r.o. 3.5.4.
Blanco Fernández, Holtzer & Van Solinge 2004, p. 51.
In de Van der Moolen-enquête hebben de onderzoekers er vanwege het beperkte onderzoeksbudget voor gekozen om de verslagen in de vorm van een samenvatting te maken en alleen de gesprekken met de belangrijkste betrokkenen verbatim weer te geven. Zie Hepkema 2012, p. 733-734. Dat lijkt mij een alleszins verdedigbaar compromis.
Hepkema 2012, p. 733.
R-C OK 10 november 2014, ARO 2014/169, Ondernemingsrecht 2015/11, p. 69-71, m.nt.M.W. Josephus Jitta (Xeikon).
Ik leid dit af uit HR 13 juni 2014, NJ 2014/358, m.nt. P. van Schilfgaarde, JOR 2014/261, m.nt. J.M. Blanco Fernández (Greenchoice), r.o. 3.5.4. In deze beschikking overweegt de Hoge Raad dat van de onderzoeker mag worden verwacht dat indien hij de verklaringen van de gehoorde personen (schriftelijk of elektronisch) vastlegt, hij die vastlegging doet toekomen aan de gehoorde persoon en aan deze persoon de gelegenheid biedt binnen een door de onderzoekers te stellen redelijke termijn daarover opmerkingen te maken. De Hoge Raad acht het kennelijk acceptabel dat de onderzoekers geen verslag van het interview maken.
Technisch is het uiteraard mogelijk een audiovisueel bestand als bijlage bij een elektronische versie van het verslag te voegen of afzonderlijk beschikbaar te stellen. Dat levert wel een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de gehoorde persoon op. Bovendien is het lastig hierop te reageren. Om die reden vind ik het niet wenselijk.
HR 13 juni 2014, NJ 2014/358, m.nt. P. van Schilfgaarde, JOR 2014/261, m.nt. J.M. Blanco Fernández (Greenchoice), r.o. 3.5.5.
R-C OK 10 november 2014, ARO 2014/169, Ondernemingsrecht 2015/11, p. 69-71, m.nt. M.W. Josephus Jitta (Xeikon). Ik zie wel een risico voor de onderzoekers: hoe waarborgen zij dat de gehoorde persoon niet in de audiovisuele opname van het gesprek knipt en plakt.
Zie § 7.4.8.3.
Indien de Ondernemingskamer meerdere onderzoekers heeft benoemd, is het mijns inziens niet noodzakelijk dat de onderzoekers alle gesprekken gezamenlijk voeren. Ik zou dit aan het beleid van de onderzoekers willen overlaten, waarbij zij ook rekening kunnen houden met de extra kosten die ermee zijn gemoeid als zij alle gesprekken gezamenlijk voeren. Niet aanvaardbaar acht ik dat de onderzoekers het horen van personen overlaten aan de secretaris of een andere hulppersoon. De onderzoekers zullen immers de verantwoordelijkheid voor het onderzoek moeten kunnen dragen.1
Gelet op het belang van de verklaring van de gehoorde persoon voor de bevindingen van de onderzoekers in het verslag, en daarmee ook voor het oordeel van de Ondernemingskamer, mocht het tot een tweedefaseprocedure komen, is het wenselijk dat zijn verklaring zorgvuldig wordt vastgelegd in het gespreksverslag.2 Hoe de onderzoekers dat doen, is in beginsel te hunner beoordeling. Het gespreksverslag dient in ieder geval een zakelijke weergave te bevatten van de belangrijkste punten van het gesprek.3 In inquisitoire enquêtes acht ik een samenvatting niet wenselijk en zouden de onderzoekers naar mijn mening in beginsel een uitgebreid verslag moeten opstellen.4 Een andere keuze die de onderzoekers hebben, is dat zij het gesprek audiovisueel vastleggen. Hepkema, een ervaren onderzoeker in inquisitoire enquêtes, beveelt dit aan.5 Mochten de onderzoekers daar echter niet voor kiezen, dan staat hun dat vrij.6
De onderzoekers kunnen er volgens de Hoge Raad ook voor kiezen het verhoor alleen audiovisueel op te nemen en niet uit te werken.7 Ik acht dat echter om een aantal redenen niet wenselijk. De eerste reden is dat als de onderzoekers later citeren uit hetgeen in het formele gesprek is gezegd, dat citaat moeilijk is te verifiëren.
Een tweede reden is dat de gehoorde persoon geen correcties kan voorstellen op een audiovisueel opgenomen gesprek. Nog belangrijker is dat als er geen gespreksverslag is uitgewerkt, dit niet als bijlage aan het onderzoeksverslag kan worden gehecht, hetgeen de verifieerbaarheid van de bevindingen van de onderzoekers bemoeilijkt.8 Om deze redenen meen ik dat de onderzoekers in beginsel altijd een schriftelijk verslag van het verhoor moeten maken. Alleen in kleine curatieve enquêtes met een beperkt onderzoeksbudget kan ik mij voorstellen dat dit achterwege blijft.
In de Greenchoice-enquête had de onderzoeker een geluidsopname gemaakt van het interview met drie betrokkenen en die gebruikt bij het uitwerken van het verhoor in een schriftelijk verslag. Dat verslag had de onderzoeker voor commentaar aan de gehoorde personen gestuurd. De gehoorde personen verzochten de onderzoeker om een kopie van de opname. Zowel de Ondernemingskamer als de Hoge Raad wezen dit verzoek af. De Hoge Raad overwoog dat in beginsel van een onderzoeker mag worden verwacht dat hij een gehoorde persoon desgevraagd gelegenheid geeft om een opname te bezien of te beluisteren, opdat de gehoorde persoon opmerkingen kan maken naar aanleiding van de vastgelegde verklaring, maar dat op de onderzoeker in beginsel niet de verplichting rust om een kopie van de opname aan de gehoorde persoon ter beschikking te stellen.9 De onderzoekers kunnen de voorwaarden bepalen waaronder het horen van de audiovisuele opname kan plaatsvinden. Zo kunnen zij bijvoorbeeld bepalen dat dit op het kantoor van een van de onderzoekers moet plaatsvinden in het bijzijn van een kantoorgenoot, om te voorkomen dat de gehoorde persoon een kopie van deze opname maakt.
Indien de onderzoekers geen audiovisuele opname van het gesprek maken en de te horen persoon dit zelf wil doen of door zijn advocaat laten doen, zullen zij hem daarvoor in beginsel toestemming moeten geven. De raadsheer-commissaris heeft dit beslist in de Xeikon-zaak.10 Josephus Jitta heeft in zijn noot onder deze uitspraak de vraag aan de orde gesteld of de onderzoeker zijn toestemming voor het maken van een opname van het gesprek afhankelijk zal mogen stellen van de toezegging van de te horen persoon dat hij de opname van het gesprek niet zonder toestemming van de onderzoekers met derden zal delen. Met Josephus Jitta ben ik het eens dat de onderzoekers deze eis zouden mogen stellen. Of het heel effectief is, valt echter te betwijfelen, omdat de gehoorde persoon geen geheimhouding heeft met betrekking tot hetgeen in het gesprek aan de orde is gekomen.
De vertrouwelijkheid van het onderzoek brengt mee dat de onderzoekers bij het verrichten van onderzoekshandelingen geen andere partijen dan de betrokkene behoeven te betrekken. Het is dus niet nodig om andere partijen bij het horen van personen toe te laten.11