Het onderzoek in de enquêteprocedure
Einde inhoudsopgave
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/7.6.6.6:7.6.6.6 Correctie en aanvulling van het gespreksverslag
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/7.6.6.6
7.6.6.6 Correctie en aanvulling van het gespreksverslag
Documentgegevens:
mr. drs. R.M. Hermans, datum 01-11-2017
- Datum
01-11-2017
- Auteur
mr. drs. R.M. Hermans
- JCDI
JCDI:ADS450676:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 13 juni 2014, NJ 2014/358, m.nt. P. van Schilfgaarde, JOR 2014/261, m.nt. J.M. Blanco Fernández (Greenchoice), r.o. 3.5.4.
Blanco Fernández, Holtzer & Van Solinge 2004, p. 51; Hepkema 2012, p. 734.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de Greenchoice-beschikking heeft de Hoge Raad beslist dat van de onderzoeker in beginsel mag worden verwacht dat hij de schriftelijke vastlegging van het verhoor doet toekomen aan de gehoorde persoon en aan deze persoon de gelegenheid biedt binnen een door de onderzoeker te stellen redelijke termijn daarover opmerkingen te maken.1 Deze regel stemt overeen met de toelichting op Aandachtspunt 3.5 en de opvattingen in de literatuur.2 De Hoge Raad gebruikt het woord “in beginsel”, hetgeen suggereert dat er uitzonderingen op deze regel mogelijk zijn. De enige uitzondering op dit beginsel die ik mij kan voorstellen, is dat de onderzoekers de gehoorde persoon het conceptgespreksverslag niet willen toesturen, maar hem uitsluitend de gelegenheid willen bieden om dit op het kantoor van een van de onderzoekers te raadplegen en er opmerkingen over te maken. Ik kan mij voorstellen dat de onderzoekers hier belang bij hebben, omdat de gehoorde persoon geen geheimhoudingsplicht heeft en de onderzoekers ook geen geheimhouding kunnen opleggen. Door de gehoorde persoon alleen op het kantoor van de onderzoeker inzage te bieden in het verslag kan de onderzoeker in ieder geval voorkomen dat de letterlijk tekst van het gespreksverslag voortijdig uitlekt. Als de gehoorde persoon niet bereid zou zijn om te verklaren dat hij het conceptgespreksverslag niet met derden zal delen zouden de onderzoekers inzage in het verslag als alternatief voor toezending daarvan kunnen aanbieden. Voor de goede orde: na de inlevering van het verslag ter griffie, meen ik dat gehoorde personen, indien opgesteld, wel een verslag van het met hen gevoerde formele gesprek zouden moeten krijgen. Daar kunnen zij in een tweedefaseprocedure of een eventuele vervolgprocedure belang bij hebben.
In de Greenchoice-beschikking heeft de Hoge Raad voorts overwogen dat indien de gehoorde persoon opmerkingen over de vastlegging van het verhoor maakt, het aan de onderzoeker is om te bepalen of en in hoeverre hij deze in de vastlegging verwerkt. Wel dient de onderzoeker, aldus de Hoge Raad, in zijn verslag in elk geval melding te maken van het feit dat de gehoorde persoon opmerkingen over de vastlegging heeft gemaakt. Mijn visie hierop is de volgende. De gehoorde persoon kan twee soorten opmerkingen op het verslag maken. In de eerste plaats zou hij kunnen aanvoeren dat de onderzoekers zijn woorden simpelweg onjuist hebben weergegeven. Als de onderzoekers het daarmee eens zijn, kunnen zij het verslag aanpassen.
Zijn zij het daarmee niet eens, dan meen ik dat zij er verstandig aan doen aan het einde van het gespreksverslag op te nemen dat en hoe de gehoorde persoon zijn verklaring heeft willen wijzigen, maar dat het verslag weergeeft wat hij in eerste aanleg heeft verklaard. In de tweede plaats kan de gehoorde persoon zijn verklaring willen aanvullen, bijvoorbeeld om te verduidelijken wat hij heeft verklaard, of om iets toe te voegen wat niet ter sprake is gekomen, maar volgens hem wel van belang is. Ik meen dat de onderzoekers dit soort aanvullingen in beginsel in het gespreksverslag moeten verwerken. Zoals in § 7.6.6.1 opgemerkt, is een van de doelen van het horen van betrokkenen om hun in de gelegenheid te stellen hun visie te geven op de onderzoeksvraag die de onderzoekers moeten beantwoorden. Dat brengt mee dat de onderzoekers ruimhartig dienen om te gaan met een eventueel verzoek tot aanvulling van het verslag. Mocht de voorgestelde aanvulling de onderzoekers aanleiding geven tot het stellen van vervolgvragen, dan mogen zij de gehoorde persoon uiteraard uitnodigen voor een vervolggesprek.
De beslissing van de Hoge Raad dat de onderzoeker in zijn verslag in ieder geval melding dient te maken van het feit dat de gehoorde persoon opmerkingen over de verslaglegging heeft gemaakt, zou ik als volgt interpreteren. Indien de onderzoekers de opmerkingen van de gehoorde personen hebben verwerkt in het verslag, kunnen zij met een algemene opmerking daarover in het verslag volstaan en behoeven zij niet specifiek per persoon aan te geven dat zij dit hebben gedaan. Voor zover zij echter opmerkingen van de gehoorde persoon niet hebben overgenomen, is het noodzakelijk dat zij daarover iets specifieks opnemen. Dat geldt in het bijzonder indien de onderzoekers het betrokken gespreksverslag mede ten grondslag leggen aan hun bevindingen in het onderzoeksverslag.
Er is geen regel die de onderzoekers verplicht om het definitieve gespreksverslag aan de gehoorde toe te zenden. Het lijkt mij echter wel voor de hand liggend dat zij dit doen, zodat de gehoorde kan zien wat de onderzoekers met zijn opmerkingen over het gespreksverslag hebben gedaan. Indien het onderzoeksbelang dit naar hun oordeel meebrengt, kunnen de onderzoekers aan toezending van het definitieve gespreksverslag aan de gehoorde de voorwaarde verbinden dat hij het verslag niet met derden zal delen. Als de gehoorde persoon dat weigert, kan ik mij voorstellen dat de onderzoekers hem het verslag pas toesturen als zij het verslag ter griffie inleveren. Voor die tijd kan de gehoorde persoon dan zijn verklaring inzien op het kantoor van de onderzoekers.