Einde inhoudsopgave
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/4.5.3.2
4.5.3.2 Beantwoording van rechtsvragen geschiedt (uiteindelijk) door de hoogste rechter
K. Teuben, datum 02-12-2004
- Datum
02-12-2004
- Auteur
K. Teuben
- JCDI
JCDI:ADS581901:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Tenzij het uiteraard gaat om een vraag ten aanzien waarvan een supranationale rechter als het HvJ EG of het EHRM bevoegd is. Mutatis mutandis geldt in die gevallen echter hetzelfde als hier ten aanzien van de Hoge Raad als hoogste rechter wordt opgemerkt.
Zie hierover ook § 6.3.2.3.
Zie hierover uitgebreider § 4.4.2.5.
Zie echter § 6.2.3.3 inzake de verhouding tussen rechters in eerste aanleg en appèlrechters.
Daarmee is die regeling, theoretisch beschouwd, overigens wel een ander soort rechtsregel geworden, nl. een 'gewone' jurisprudentiële rechtsregel, die bindt op basis van precedentwerking (zie daarover uitgebreid hoofdstuk 7 en 8). Een belangrijk verschil in dit verband bestaat ten aanzien van de kring van personen die gebonden wordt. Bij een precedent dat afkomstig is van de Hoge Raad zijn alle lagere rechters daaraan gebonden (vgl. § 8.3.3); de hier bedoelde (voorafgaande) binding aan een rechtersregeling geldt daarentegen in beginsel slechts voor de rechters die deze regeling hebben vastgesteld (vgl. ook § 6.2.3.3).
Vgl. § 6.3.3. Voor wetsinterpreterende beleidsregels geldt overigens hetzelfde; zie daarover § 4.3.5.
Het verschil in karakter tussen beleidsruimte en interpretatieruimte heeft belangrijke consequenties voor de mogelijkheid tot (voorafgaande) zelfbinding. Zoals zojuist werd opgemerkt, gaat het bij interpretatieruimte van de rechter om vragen waarop slechts één rechtens juist antwoord tegelijk kan bestaan. Hoe dit antwoord luidt, zal daarom uiteindelijk door de hoogste rechter - in civiele procedures veelal de Hoge Raad1 - bepaald kunnen én moeten worden. 'Kunnen', omdat het bij beslissingen omtrent de uitleg van de wet in beginsel steeds gaat om 'rechtsbeslissingen', die door de cassatierechter volledig getoetst kunnen worden. Hij kan hierbij zo nodig zijn eigen uitleg voor die van de lagere rechter in de plaats stellen.2 'Moeten', omdat de Hoge Raad als hoogste rechter de aangewezen instantie is om dit soort rechtsvragen uiteindelijk te beslissen.
Wanneer de (lagere) rechter beschikt over beleidsruimte ligt dit anders: bij de invulling daarvan bestaan - binnen bepaalde grenzen - altijd meerdere rechtens juiste oplossingen. Het gevolg hiervan is onder meer dat de toetsing hiervan door de cassatierechter (zeer) beperkt is, en ook moet zijn: doel en strekking van de desbetreffende regel brengen in gevallen van beleidsruimte juist met zich, dat de invulling daarvan aan de feitenrechter moet worden overgelaten.3
Dit betekent dat de zelfbinding waar het hier om gaat, bij uitstek geschikt is voor gevallen van beleidsruimte. De lagere rechter heeft daarbij immers een eigen keuze uit meerdere alternatieven. Wanneer deze keuze 'in abstracto', voorafgaand aan beslissingen in een concreet geschil, wordt gemaakt en in een (behoorlijk bekendgemaakte) rechtersregeling wordt neergelegd, zal deze vervolgens bindend kunnen zijn voor de betrokken rechters zonder dat dit in botsing komt met de taak van de hogere rechter.4 Daarentegen zal van binding aan een rechtersregeling omtrent vragen van wetsinterpretatie eigenlijk pas echt sprake kunnen zijn wanneer de hoogste rechter deze regeling inhoudelijk heeft 'bevestigd'.5 Wel zou eventueel aangenomen kunnen worden dat de rechters die een wetsinterpreterende rechtersregeling hebben vastgesteld, zélf 'voorshands' aan die regeling gebonden zijn, dit behoudens de vrijheid van de hogere rechter om de desbetreffende rechtsvraag alsnog in andere zin te beantwoorden. Op de vraag of een dergelijke vorm van binding wenselijk is ga ik in de volgende paragraaf nader in.
Een tweede consequentie van het karakterverschil tussen beleidsruimte en interpretatieruimte is dat een eventuele kwalificatie van een wetsinterpreterende rechtersregeling als recht in de zin van art. 79 RO in feite geen toegevoegde waarde biedt. Om een beslissing op grond van een wetsinterpreterende rechtersregeling in cassatie ter discussie te kunnen stellen, doet helemaal niet ter zake of die regeling wel of geen recht in de zin van art. 79 RO vormt. In een dergelijk geval kan even goed rechtstreeks over schending van de wettelijke regel, ter interpretatie waarvan zij dient, in cassatie worden geklaagd: déze regel zal immers zonder meer recht in de zin van art. 79 RO vormen.6