Einde inhoudsopgave
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/4.5.4
4.5.4 De taak van de rechter
K. Teuben, datum 02-12-2004
- Datum
02-12-2004
- Auteur
K. Teuben
- JCDI
JCDI:ADS575962:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie § 4.4.5.4.
Zie § 4.4.5.3 en § 6.2.2.2.
Zie met name § 3.3.2 en § 3.3.3.
Vgl. Kottenhagen 1988, p. 389; Van der Heijden 1984, p. 23; zie hierover uitgebreider § 3.3.3.4.
Zie § 3.3.2.2.
Rechtsvorming door de rechter zonder aanwezigheid van (de feiten van) een concreet geval is immers in bepaalde gevallen zeer wel mogelijk; zie § 3.3.3.2 en § 3.3.3.3.
Zie over dit alles uitgebreider § 3.3.3.4.
Zie over deze rechtersregeling ook § 2.3.
Vgl. § 3.3.3.4.
Althans in overwegende mate; zoals eerder opgemerkt zijn immers mengvormen mogelijk (vgl. § 4.4.2.3).
Zie § 4.4.2.3.
Vgl. art. 2.7 LRr.
Zie hierover ook § 4.4.2.2.
Vgl. bijv. Hijma 1989, p. 4; De Waard 1987, p. 17; Asser-Scholten 1974, p. 130-131.
Zie voor enkele voorbeelden § 4.4.4.3.
Bij de vraag of de leer van het rolrichtlijnen-arrest ook op andere rechtersregelingen dan rolreglementen kan worden toegepast, moet tot slot de taak van de rechter in de beschouwingen betrokken worden. Zoals eerder bleek resulteert een rechtersregeling die aan de gestelde voorwaarden voldoet in een 'voorafgaande' binding: reeds vanaf het moment van vaststelling en bekendmaking zijn de betrokken rechters aan de regeling gebonden.1 Weliswaar is een rechtersregeling, zoals de Hoge Raad in het rolrichtlijnen-arrest ook benadrukt, geen echt product van wetgeving (zij vormt geen 'algemeen verbindend voorschrift') en zal de rechter dus soms van de regeling mogen afwijken; deze afwijkingsmogelijkheid is echter wel gereserveerd voor bijzondere gevallen.2 Het gaat hier dus om een vrij sterke vorm van gebondenheid. De vraag is hoe zich dit verhoudt tot de taak van de rechter, zoals deze, mede in relatie tot de taak van de wetgever, moet worden gedefinieerd.
In hoofdstuk 3 is reeds uitgebreider ingegaan op de taakverdeling russen rechter en wetgever,3 zodat hier volstaan kan worden met een verkorte weergave van hetgeen daar is behandeld. De primaire taak van de rechter is 'rechtspraak', waaronder hier verstaan kan worden: het beslissen in concrete gevallen op basis van rechtsregels.4 De toepassing van rechtsregels in de aan hem voorgelegde zaken leidt er noodzakelijkerwijs toe dat de rechter in bepaalde gevallen ook (nieuw) recht zal moeten vormen. Deze 'rechtsvormende taak' van de rechter leidt op zichzelf niet tot een botsing met de taken van de wetgever.5 Wel is de uitoefening door de rechter van zijn rechtsvormende taak nauw verbonden met de beslechting van concrete geschillen. Dit laatste geldt overigens niet zozeer in feitelijke, als wel in normatieve zin.6 Het feit dat een rechtsregel in het kader van een concrete procedure is gevormd door de (onafhankelijke en onpartijdige) rechter houdt een belangrijke legitimatie in, die ook noodzakelijk is omdat de rechter niet, althans niet op dezelfde wijze, beschikt over de democratische legitimatie van de wetgever. Rechtsvorming en de beslechting van concrete geschillen kunnen daarom beide beschouwd worden als essentialia van de rechterlijke functie. Wanneer de band tussen deze beide elementen wordt verbroken doordat de rechter buiten het kader van rechtspraak tot de vorming van rechtsregels overgaat, treedt hij aldus buiten zijn eigenlijke - rechtsprekende - functie. Afhankelijk van de binding die aan een op deze wijze gevormde regel wordt verbonden, zal dit op meer of minder bezwaren stuiten.7
In dit licht bezien is het de vraag of aan een wetsinterpreterende rechtersregeling dezelfde voorafgaande binding mag worden toegekend als aan, bijvoorbeeld, een rolreglement. Wanneer bijvoorbeeld de gezamenlijke voorzie-ningenrechters in een vergadering bindend kunnen afspreken dat een kort geding of een belastingaanslag als 'eis in de hoofdzaak' in de zin van art. 700 lid 3 Rv heeft te gelden,8 wordt hierdoor iets nieuws (namelijk een verdere concretisering) aan het bestaande objectieve recht toegevoegd en vindt dus rechtsvorming plaats. Weliswaar gaat het hier om rechtsvorming op een betrekkelijk bescheiden niveau: de rechter gaat niet 'praeter' of 'contra legem' maar blijft binnen de bewoordingen van de wet, zoals die naar normaal spraakgebruik moeten worden verstaan. Het is dus niet zozeer de inhoud van een dergelijke regeling die leidt tot bezwaren.9 Het gaat met name om het principiële aspect: wanneer rechters op deze wijze rechtsregels tot stand kunnen brengen, raakt dit aan de essentie van de rechterlijke functie en is zeer de vraag of de grenzen daarvan niet worden overschreden.
Hét verschil met rolreglementen - waaraan de rechter op grond van het rolrichtlijnen-arrest wél direct gebonden kan raken - is dat de regels die in een rolreglement zijn opgenomen doorgaans geen rechtsvorming in de zojuist bedoelde zin inhouden10 (anders gezegd: het gaat daarbij niet om regels die ook in jurisprudentie gevormd hadden kunnen worden), maar regels op een 'lager niveau' vormen. In dergelijke regels is door de betrokken rechters immers niet de (nadere) inhoud van het objectieve recht bepaald, maar hebben zij slechts (collectief) de hun volgens het objectieve recht reeds toekomende keuzemogelijkheden - hier aangeduid met de term 'beleidsruimte'11 - ingevuld. Er zijn bijvoorbeeld standaardtermijnen voor de mdiening van processtukken vastgesteld, ter invulling van de in art. 133 lid 1 Rv aan de rechter gegeven beslissingsruimte.12 In dat geval gaat het niet zozeer om de rechter in zijn rechtsprekende (of rechtsvormende) rol, maar veeleer om de rechter in zijn 'beleidsmatige' rol als organisator van de procedure. Iets soortgelijks geldt voor andere vormen van rechterlijke beleidsruimte, zoals bijvoorbeeld de bepaling van de hoogte van een kostenveroordeling of smartengeld, of de uitoefening van bepaalde wijzigingsbevoegdheden.13 Ook hiervan wordt wel gezegd dat dit geen 'rechtspraak', in de zin van een oordeel omtrent het objectieve recht voor de rechtsverhouding van partijen, is, maar slechts een keuze die de rechter maakt of een maatregel die hij treft nadat hij zijn oordeel omtrent het objectieve recht heeft gegeven.14 Wordt door een of meer rechters een dergelijke keuze 'in abstracto' gemaakt, dan is veeleer sprake van de vorming van 'beleid', en doet zich niet eenzelfde spanning ten opzichte van de aard van de rechtsprekende functie voor als wanneer op deze wijze de vorming van een regel van objectief recht zou plaatsvinden. Iets anders is overigens dat, zoals in § 4.4.4.3 al werd opgemerkt, ook bepaalde vormen van beleidsruimte zich niet zullen lenen voor voorafgaande (bindende) mvulling via een rechtersregeling. Of dit het geval is, hangt uiteindelijk af van doel en strekking van de regel, ter invulling waarvan de rechtersregeling is bedoeld.15 Hierop kom ik in de volgende paragraaf nog terug.