Einde inhoudsopgave
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/4.5.5
4.5.5 Keuze voor afbakening
K. Teuben, datum 02-12-2004
- Datum
02-12-2004
- Auteur
K. Teuben
- JCDI
JCDI:ADS577080:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie § 4.5.2.
Zie § 4.5.4.
Zie in min of meer overeenkomstige zin Martens & Ten Kate 2000, p. 1623, die ervan uitgaan dat (slechts) de 'discretionaire bevoegdheden' van de rechter zich lenen voor zelfbinding; vgl. voorts De Waard 1998, p. 165.
Zie over deze rechtersregeling § 2.8.
Zie hierover § 4.5.3.2.
Om dezelfde reden moet worden aangenomen dat (anders dan bijv. in het Engelse recht het geval is) niet alleen de hoogste rechter mag terugkomen op een bindend precedent, maar dat dit ook aan de lagere rechter is toegestaan (zij het dat het uiteindelijk de hoogste rechter is die het laatste woord daarover heeft); zie hierover § 8.3.5.3.
Vgl. § 6.3.3.
Zie hierover § 3.3.3.4.
Zie § 4.4.4.2.
Vgl. § 4.4.3.2.
Zie § 4.4.4.3.
Zie eerder § 4.4.2.3.
Zo spreekt bijvoorbeeld het rapport Voor-werk II zich tevens uit over de (rechts)vraag waar de grens ligt tussen buitengerechtelijke kosten in de zin van art. 6:96 lid 2 BW en proceskosten als bedoeld in art. 237-240 Rv (zie § 8.3 en § 9.1 van het rapport).
Naast de eis van 'behoorlijke bekendmaking' zal in het bijzonder voldaan moeten zijn aan de eis dat de regeling is vastgesteld door een daartoe 'bevoegd orgaan'. Bij de genoemde rechtersregelingen is dat thans niet het geval, nu zij afkomstig zijn van instanties als de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak (zie hierover § 4.4.4.4). Niet uitgesloten is echter dat aan deze eis in de toekomst wordt voldaan, indien een of meer van deze regelingen door een gerecht als 'eigen' regeling zouden worden overgenomen (zie hierover § 5.2.3.5).
De vraag of het rolrichtlijnen-arrest ook kan worden toegepast op andere rechtersregelingen dan rolreglementen, en zo ja, waar de grenzen hiervan precies liggen, is niet eenvoudig te beantwoorden. Al naar gelang de gekozen invalshoek dringen verschillende antwoorden zich op. Een benadering waarin de nadruk wordt gelegd op algemene beginselen als rechtszekerheid, rechtsgelijkheid en consistentie leidt tot een pleidooi voor een ruime toepassing van het rolrichtlijnen-arrest: ook (en wellicht juist) rechtersregelingen die betrekking hebben op materieelrechtelijke onderwerpen als ontslagvergoedingen, kosten-veroordelingen of rechtsvragen als de vraag wanneer schulden 'niet te goeder trouw' zijn gemaakt, zullen tot een voorafgaande binding van de rechter moeten kunnen leiden.1 Worden daarentegen de principiële aspecten van deze vraag benadrukt (treedt de rechter op deze manier niet te zeer buiten zijn rechtsprekende functie?), dan zal de conclusie veeleer zijn dat een voorafgaande binding moet worden afgewezen, in elk geval waar het rechtsvragen betreft: deze zal de rechter pas in het kader van een concreet geschil werkelijk kunnen beantwoorden (waarna eventueel gebondenheid aan een aldus gevormd precedent kan ontstaan).2 Voor beide benaderingen zijn goede argumenten aan te voeren; uiteindelijk komt het hier dus aan op een keuze.
Mijns inziens dient het bereik van het rolrichtlijnen-arrest aldus te worden afgebakend dat de daarin aanvaarde mogelijkheid tot voorafgaande (zelfbinding slechts geldt voor gevallen van rechterlijke beleidsruimte, en niet voor gevallen van interpretatieruimte.3 Een 'wetsinterpreterende' rechtersregeling (zoals bijvoorbeeld de invulling van de term 'goede trouw' in art. 288 sub b Fw door de in Recofa verenigde rechters-commissarissen4) zal dus niet aanstonds tot binding kunnen leiden, ook niet voor de rechters die de regeling hebben vastgesteld.
Hiervoor is in de eerste plaats redengevend het eerder genoemde feit dat hogere rechters niet gebonden zijn aan een wetsinterpreterende rechtersregeling van lagere rechters en zij de vrijheid behouden om een bepaalde rechtsvraag alsnog in een andere zin te beantwoorden.5 Gegeven dit uitgangspunt is het dan echter weinig zinvol om de lagere rechter wél gebonden te achten, al zou dit ook 'voorlopig' zijn. De lagere rechter zou hierdoor in voorkomend geval immers gedwongen kunnen zijn, vast te houden aan een door hem uiteindelijk onjuist geachte rechtsopvatting, en daarmee partijen dwingen tot het instellen van hoger beroep of cassatie.6 Voorts biedt de kwalificatie als 'recht' in de zin van art. 79 RO voor een wetsinterpreterende rechtersregeling geen toegevoegde waarde, dit in tegenstelling tot rechtersregelingen ter invulling van rechterlijke beleidsruimte.7
Belangrijker nog is dat het aanvaarden van (voorafgaande) gebondenheid aan een wetsinterpreterende rechtersregeling mijns inziens in strijd zou komen met dat wat beschouwd moet worden als de essentie van de rechtsprekende taak van de rechter: het beslissen in concrete geschillen onder toepassing van rechtsregels, waarbij de rechter zo nodig de precieze betekenis van die rechtsregels (nader) bepaalt.8 Hoe zeer 'zelfbinding' aangaande de uitoefening van de hun toekomende beleidsmarges ook gewenst kan zijn,9 rechters kunnen zichzelf echter niet in zó vergaande mate binden dat zij zich daarmee ook op voorhand de mogelijkheid ontnemen om uiteindelijk, in het kader van een concreet geschil, een bepaalde rechtsvraag nog te beantwoorden. Een andere opvatting zou de kern van de rechtsprekende functie te zeer aantasten, ook als in aarurierking wordt genomen dat een hogere rechter niet gebonden is aan de rechtsopvattingen die in een rechtersregeling van lagere rechters zijn neergelegd en dus alsnog tot een ander oordeel kan komen. Dit principiële argument dient hier zwaarder te wegen dan de beginselen van rechtszekerheid en rechtsgelijkheid (die immers, hoe belangrijk ook, geen absolute waarde hebben10). Een en ander neemt overigens niet weg dat (ook) de vaststelling van wetsinterpreterende rechtersregelingen door de (lagere) rechter zinvol kan zijn, maar dan veeleer als 'voorzet' tot de uiteindelijke beantwoording van een bepaalde rechtsvraag in de rechtspraak.
Hoewel dus de vaststelling van het hier bedoelde type rechtersregeling met 'voorafgaande' binding beter past bij beleidsruimte dan bij interpretatieruimte van de rechter, is hiermee niet gezegd dat deze mogelijkheid in alle gevallen van beleidsruimte aanwezig is. Of dit inderdaad het geval is zal uiteindelijk met name afhangen van doel en strekking van de regel, ter invulling waarvan een rechtersregeling is bedoeld.11 Dit is echter niet per definitie gekoppeld aan een onderscheid tussen procesrecht en materieel recht, zoals dat in de literatuur wel is bepleit. Ook op het laatste gebied kan zich de situatie voordoen dat rechters dezelfde regel in een groot aantal gelijksoortige zaken moeten toepassen, waardoor het mogelijk wordt ten aanzien daarvan een algemene (rechters)regeling te formuleren. Te denken valt hier wederom aan de bekende voorbeelden: de vergoeding bij ontbinding van een arbeidsovereenkomst, vergoedingen voor proceskosten en buitengerechtelijke kosten en de hoogte van smartengelden. Omgekeerd zijn in het procesrecht ook gevallen van beleidsruimte aan te wijzen die juist niet, of althans minder, geschikt zijn voor voorafgaande mvulling via een rechtersregeling. Zo zullen de gevolgtrekkingen die de rechter kan maken indien partijen de uit art. 21 en 22 Rv voortvloeiende waarheids- en informatieplichten niet naleven, veelal van de omstandigheden van het geval afhangen, en zal het evenmin goed mogelijk zijn in een algemene (rechters)regeling vast te leggen in welke gevallen bevolen zal worden dat partijen bij een pleidooi in persoon aanwezig dienen te zijn (art. 134 lid 4 Rv).
Tot slot moet nogmaals aangetekend worden dat het onderscheid tussen beleidsruimte en interpretatieruimte van de rechter niet altijd even scherp te maken is, terwijl een rechtersregeling bovendien op beide aspecten van een en dezelfde regel betrekking kan hebben.12 Het gaat hier dus veeleer om een glijdende schaal, waarop de 'typische' gevallen van beleidsruimte en interpretatieruimte de uitersten vormen. Met name op deze uitersten ziet hetgeen in deze paragraaf is betoogd: typische gevallen van beleidsruimte (zoals bijvoorbeeld de vaststelling van de termijnen voor het indienen van processtukken) lenen zich bij uitstek wél voor de in het rolrichtlijnen-arrest aanvaarde vorm van voorafgaande zelfbinding; typische gevallen van wetsinterpretatie (bijvoorbeeld de beantwoording van de vraag wat onder een 'eis in de hoofdzaak' als bedoeld in art. 700 lid 3 Rv moet worden verstaan) daarentegen niet. Rechtersregelingen als bijvoorbeeld de verschillende liquidatietarieven, het rapport Voor-werk II of de alimentatienormen zijn op deze schaal wat meer naar het midden te positioneren. Naar ik meen gaat het bij deze regelingen nog in overwegende mate om de invulling van rechterlijke beleidsruimte (waarbij echter deels ook 'rechtsvragen' worden beantwoord13), die zich leent voor voorafgaande zelfbinding. Ook liquidatietarieven, het rapport Voor-werk II of de alimentatienormen zouden dan ook, mits aan alle daarvoor geldende vereisten is voldaan,14 voor het etiket 'recht' in de zin van art. 79 RO in aanmerking kunnen komen. Hierbij zal dan echter, gelet op het meer 'gemengde' karakter van deze regelingen, wel steeds bedacht moeten worden dat zowel de vaststellende rechters zélf als hogere rechters in elk geval niet (direct) gebonden zijn aan de elementen van een dergelijke regeling die het antwoord op een rechtsvraag inhouden.