Einde inhoudsopgave
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/4.5.2
4.5.2 De algemene beginselen van behoorlijke rechtspleging
K. Teuben, datum 02-12-2004
- Datum
02-12-2004
- Auteur
K. Teuben
- JCDI
JCDI:ADS581909:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
In deze zin - zij het op grond van verschillende argumenten - bijv. Köhne 2000, p. 155-156; De Waard 1998, p. 165-166; Stroink 2001, p. 53; Bok 1997, p. 238-239.
Zie hierover ook § 4.4.3.2.
Zie § 4.4.4.2.
Zie § 4.4.5.
Aldus ook Snijders 2001, p. 20-21.
Vgl. § 4.4.3.2.
Vgl. Köhne 1997, p. 188-189; Bok 1997, p. 239.
HR 16 november 2001, NJ 2002, 401 m.nt. HJS.
Dit wordt ook door de eerder genoemde auteurs beschouwd als een onderwerp dat bij uitstek wél geschikt is voor het hier bedoelde type rechtersregeling; zie bijv. Köhne 2000, p. 155-156; De Waard 1998, p. 163-164; Bok 1997, p. 238.
Tenzij, zoals in het hier besproken arrest het geval was, de door het rolreglement gestelde eisen in strijd blijken te zijn met hogere rechtsregels (zie hierover ook § 4.4.4.3).
Of ook andere rechtersregelingen dan rolreglementen onder het bereik van het rolrichtlijnen-arrest kunnen worden gebracht is, als gezegd, een omstreden kwestie. In de literatuur is in dit kader wel gepleit voor een onderscheid tussen rechtersregelingen met betrekking tot het procesrecht enerzijds en regelingen met betrekking tot het materiële recht anderzijds. Slechts op het eerstgenoemde gebied zou een rechtersregeling de zojuist genoemde rechtsgevolgen (binding en kwalificatie als 'recht') kunnen hebben.1
Zoals aan het slot van de vorige paragraaf werd opgemerkt, kan deze vraag vanuit verschillende invalshoeken worden benaderd. Een eerste belangrijk gezichtspunt is te vinden in de 'algemene beginselen van behoorlijke rechtspleging'.2 Deze algemene rechtsbeginselen, waarbij hier met name te denken valt aan de beginselen van rechtsgelijkheid, rechtszekerheid en consistentie van (rechterlijke) beslissingen, spelen in dit kader in twee opzichten een belangrijke rol. In de eerste plaats vormen zij een basis voor de bevoegdheid van de rechter om rechtersregelingen vast te stellen. Van rechters mag immers verwacht worden dat zij bij hun beslissingen beginselen als de rechtsgelijkheid en de rechtszekerheid in acht nemen. Zij mogen van de hun toekomende beslissingsruimte daarom niet 'naar willekeur' gebruik maken, maar dienen waar mogelijk te streven naar een consistente invulling daarvan. Dit kan bijvoorbeeld gebeuren via de vaststelling van een rechtersregeling.3Is een dergelijke regeling eenmaal tot stand gekomen, dan kunnen bovendien de algemene beginselen van behoorlijke rechtspleging - en ook dan zal het met name gaan om het gelijkheids- en het rechtszekerheidsbeginsel - meebrengen dat de betrokken rechters aan die regeling gebonden zijn.4
Belangrijk is dat de genoemde algemene beginselen uiteraard niet slechts betekenis hebben voor het procesrecht. Op het gebied van het materiële recht doen de eisen van rechtszekerheid en rechtsgelijkheid zich evenzeer, en waarschijnlijk in nog sterkere mate, gelden.5 Niet alleen wordt de rechtszekerheid pas werkelijk gediend wanneer beslissingen in inhoudelijke zin voorspelbaar en consistent zijn; bovendien zal een ongelijke behandeling op materieelrechte-lijk gebied (bijvoorbeeld bij de vaststelling van ontslagvergoedingen) door justitiabelen in (veel) sterkere mate als onrecht worden ervaren dan een ongelijke behandeling op het processuele vlak. De algemene beginselen van behoorlijke rechtspleging, die ook voor het rechterlijk optreden van fundamentele betekenis zijn,6 wijzen derhalve niet in de richting van een begrenzing van de rolrichtlijnen-jurisprudentie tot het gebied van het (rol)procesrecht. Integendeel, bezien vanuit dit perspectief zou de leer van het rolrichtlijnen-arrest ook naar 'materieelrechtelijke' rechtersregelingen als de kantonrechtersformule of de Recofa-aanbevelingen doorgetrokken kunnen worden.
Terzijde kan worden opgemerkt dat een grens tussen procesrecht en materieel recht ook overigens nauwelijks precies te trekken valt. Het soms wel gehanteerde vereiste dat een (bindende) rechtersregeling geen gevolgen voor de materieelrechtelijke positie van partijen mag hebben,7 voldoet hierbij in elk geval niet als onderscheidend criterium. Ook de uitoefening van procesrechtelijke bevoegdheden door de rechter, al lijken deze bevoegdheden soms nog zo onbeduidend, kan uiteindelijk vérstrekkende gevolgen hebben voor de materieelrechtelijke aanspraken van partijen. Illustratief hiervoor is het eerder genoemde arrest Ajax/Valk.8 In deze zaak bleken zelfs de eisen die in een rolreglement aan de inschrijving van een zaak op de rol worden gesteld,9 voor partijen ingrijpende consequenties te kunnen hebben. Indien immers niet aan de door een rolreglement gestelde vereisten wordt voldaan zal de rechter, met een beroep op dit reglement, in beginsel inschrijving van de zaak kunnen weigeren.10 Met name in appèl en cassatie kan dit desastreuze gevolgen hebben voor de materieelrechtelijke aanspraken van de desbetreffende partij, aangezien een weigering de zaak in te schrijven doorgaans tot gevolg zal hebben dat de uitspraak a quo in kracht van gewijsde gaat.