Einde inhoudsopgave
RvdW 2025/612
Skimapparaat voorhanden hebben, terwijl hij weet dat dit bestemd is tot het plegen van enig misdrijf genoemd in art. 232 lid 1 Sr, art. 234 (oud) Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. Bewijsklacht opzet op voorhanden hebben van skimapparaat. ‘Wist’ verdachte dat hij skimapparaat voorhanden heeft gehad dat bestemd was tot het plegen van enig misdrijf genoemd in art. 232 lid 1 Sr? Hof heeft vastgesteld dat verdachte in coffeeshop met hem onbekende Moldavische personen heeft afgesproken om tas met een hem onbekende inhoud te vervoeren vanuit Amsterdam naar iemand in Breda, die hem daarvoor € 1.000 zou betalen. Verdachte heeft gevraagd of er drugs in tas zaten, waarop ontkennend werd geantwoord. Tas betrof ‘flinke rugzak’. Verdachte heeft deze rugzak vervolgens samen met anderen in een door hem bestuurde auto vervoerd. Hof heeft o.g.v. deze vaststellingen geoordeeld dat verdachte, door ondanks deze op zijn minst geheimzinnige gang van zaken deze rugzak toch te vervoeren, zich bewust heeft blootgesteld aan aanmerkelijke kans dat tas een voorwerp met illegale bestemming zou bevatten, zoals skimapparaat. Hof heeft hierover verder nog overwogen dat verdachte het skimapparaat voorhanden heeft gehad, voor inhoud van tas verantwoordelijk was en door die tas te vervoeren zonder enige nadere informatie te vragen over (inhoud van) tas, willens en wetens aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zich in tas een apparaat zou kunnen bevinden dat bestemd was tot het plegen van enig misdrijf a.b.i. art. 232 lid 1 Sr. Kennelijk, en gelet op de door hof vastgestelde omstandigheden niet onbegrijpelijk, heeft hof daarmee geoordeeld dat verdachte zich opzettelijk schuldig maakte aan het in strijd met wet voorhanden hebben van skimapparaat dat (inherent aan aard van dat apparaat) bestemd was tot het plegen van misdrijf a.b.i. art. 232 lid 1 Sr. Dit oordeel geeft niet blijk van onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Volgt verwerping. Vervolg op 2 maart 2021, RvdW 2021/316.
HR 22-04-2025, ECLI:NL:HR:2025:537
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
22 april 2025
- Magistraten
Mrs. V. van den Brink, A.E.M. Röttgering, T.B. Trotman
- Zaaknummer
22/04833
- Conclusie
plv. A-G mr. M.E. van Wees
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht / Delicten Wetboek van Strafrecht
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2025:537, Uitspraak, Hoge Raad, 22‑04‑2025
ECLI:NL:PHR:2025:46, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 14‑01‑2025
Essentie
Skimapparaat voorhanden hebben, terwijl hij weet dat dit bestemd is tot het plegen van enig misdrijf genoemd in art. 232 lid 1 Sr, art. 234 (oud) Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. Bewijsklacht opzet op voorhanden hebben van skimapparaat. ‘Wist’ verdachte dat hij skimapparaat voorhanden heeft gehad dat bestemd was tot het plegen van enig misdrijf genoemd in art. 232 lid 1 Sr? Hof heeft vastgesteld dat verdachte in coffeeshop met hem onbekende Moldavische personen heeft afgesproken om tas met een hem onbekende inhoud te vervoeren vanuit Amsterdam naar iemand in Breda, die hem ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.