Het onderzoek in de enquêteprocedure
Einde inhoudsopgave
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/10.1.3:10.1.3 Aandachtspunten, aanbevelingen en suggesties voor onderzoekers
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/10.1.3
10.1.3 Aandachtspunten, aanbevelingen en suggesties voor onderzoekers
Documentgegevens:
mr. drs. R.M. Hermans, datum 01-11-2017
- Datum
01-11-2017
- Auteur
mr. drs. R.M. Hermans
- JCDI
JCDI:ADS454231:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Aandachtspunt 4.1 bepaalt dat het onderzoeksverslag inzicht verschaft in het beleid en de gang van zaken van de vennootschap en beantwoordt aan de in de eerstefasebeschikking door de Ondernemingskamer geformuleerde onderzoeksopdracht. Het dient voldoende feitelijke grondslag te vormen voor een beoordeling van dat beleid en die gang van zaken. Het verschaft tevens de basis voor de beslissingen van de Ondernemingskamer naar aanleiding van mogelijk in de tweede fase in te dienen verzoeken (tot vaststelling van wanbeleid en, eventueel, van de verantwoordelijkheid daarvoor van personen alsmede tot het eventueel treffen van voorzieningen alsbedoeld in artikel 2:356 BW).
Aandachtspunt 4.2 bepaalt dat het onderzoeksverslag vormvrij is. De onderzoeker richt het naar eigen inzicht in. Hij doet dat zodanig dat het voldoende inzicht verschaft in de onderzochte materie en de wijze waarop het onderzoek is uitgevoerd. Doorgaans bevat het onderzoeksverslag:
een beschrijving van de opdracht,
een beschrijving van de werkwijze,
een opgave van geraadpleegde bronnen,
een beschrijving van de (feitelijke) bevindingen en
conclusies voorzien van een redengeving.
Het onderzoeksverslag kan ook aanbevelingen bevatten, bijvoorbeeld over de mogelijk te treffen voorzieningen.
Aandachtspunt 4.3 bepaalt dat het aanbeveling verdient om bij het verslag bijlagen te voegen, zoals gespreksverslagen en schriftelijke stukken waaraan wezenlijke bevindingen ontleend zijn. Het verdient voorts aanbeveling om in het onderzoeksverslag op te nemen:
een lijst met afkortingen,
een organogram,
een overzicht van de samenstelling van bestuur en raad van commissarissen, eventueel voorzien van een tijdslijn,
een overzicht van de betrokken personen, onder vermelding van functies en de precieze periode waarin zij deze vervulden.
Aandachtspunt 4.4 bepaalt dat het aanbeveling verdient in het verslag kenbaar te maken op welke wijze tijdens het onderzoek toepassing is gegeven aan hoor en wederhoor.1 In de toelichting verwijst de Ondernemingskamer naar Aandachtspunt 3.52 en geeft zij aan dat de onderzoeker in het verslag kenbaar kan maken op welke wijze hij het commentaar op het concept-rapport, althans op de relevante delen daarvan, heeft verwerkt.
Aandachtspunt 4.5 bepaalt dat de onderzoeker in het verslag de weergave van feitelijke bevindingen waar mogelijk dient te scheiden van de weergave van eventuele oordelen, meningen, conclusies en aanbevelingen. Voor zover oordelen, meningen of conclusies betrekking hebben op het beleid of de gang van zaken van de rechtspersoon, dienen deze te worden gegeven in het licht van in de betrokken periode geldende normen en opvattingen. Het uiteindelijke oordeel over mogelijk “wanbeleid” is, nadat hierover een debat tussen partijen heeft kunnen plaatsvinden tijdens de zogeheten tweede fase van de enquêteprocedure, aan de Ondernemingskamer. Het staat de onderzoeker echter vrij desgewenst op dit punt zijn opvatting weer te geven.
Aandachtspunt 4.6 bepaalt dat het verslag door de onderzoeker wordt ondertekend en aan de Ondernemingskamer wordt gezonden. De toelichting vermeldt dat over de wijze en het tijdstip van indiening afspraken kunnen worden gemaakt met de secretarissen van de Ondernemingskamer.
Aandachtspunt 4.7 beschrijft feitelijk aan wie de Ondernemingskamer het verslag toezendt. Dit Aandachtspunt richt zich niet tot de onderzoekers.
In Aandachtspunt 4.8 beschrijft de Ondernemingskamer dat zij het verzoek ter inzage pleegt te leggen voor “belanghebbenden” dan wel voor “een ieder”. Wie onder het begrip ‘belanghebbenden’ vallen, beoordeelt de Ondernemingskamer aan de hand van een concreet verzoek tot inzage en van de omstandigheden van het geval. Voor de inhoud van het onderzoeksverslag is van belang dat in de toelichting op dit Aandachtspunt de Ondernemingskamer opmerkt dat het de onderzoeker vrijstaat in het verslag aanbevelingen te doen omtrent het antwoord op de vraag of het wenselijk is dat het rapport of delen daarvan en/of (een deel van) de bijlagen ter inzage worden gelegd voor “belanghebbenden” (dat hoeven niet steeds de in de eerste fase verschenen belanghebbenden te zijn) dan wel voor “een ieder”.