Het onderzoek in de enquêteprocedure
Einde inhoudsopgave
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/10.1.2:10.1.2 Totstandkomingsgeschiedenis
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/10.1.2
10.1.2 Totstandkomingsgeschiedenis
Documentgegevens:
mr. drs. R.M. Hermans, datum 01-11-2017
- Datum
01-11-2017
- Auteur
mr. drs. R.M. Hermans
- JCDI
JCDI:ADS451825:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
In § 11.2.2 en § 11.3.2 ga ik op de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 2:353 BW verder in. De wetsgeschiedenis van artikel 2:351 lid 4 BW is besproken in § 7.1.2.3.
Haantjes & Olden 2013, p. 189-190 (Kamerstukken II 2011/12, 32887, 12).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Tot de invoering van de Wet aanpassing enquêterecht bepaalde de wet in artikel 2:353 lid 1 BW – waaraan de tweede volzin nog niet was toegevoegd – uitsluitend indirect dat de onderzoekers een verslag moeten opmaken van de uitkomsten van het onderzoek door, in wisselende bewoordingen, te bepalen dat dit verslag bij de griffie moet worden ingeleverd en aan te geven wat er vervolgens mee moet gebeuren.1 Het enige dat ik hier nog vermeld, is de achtergrond van de bij de Wet aanpassing enquêterecht in 2013 aan artikel 2:353 lid 1 BW toegevoegde tweede volzin. Deze toevoeging is het gevolg van het aannemen van een amendement van de leden Van der Steur en Van Toorenburg. De toelichting op het amendement vermeldt dat de voorgestelde wijziging van artikel 2:353 lid 1 BW is ontleend aan artikel 198 lid 2 Rv, derde volzin, dat voor het deskundigenbericht hetzelfde bepaalt.2