Einde inhoudsopgave
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/1.1
1.1 Introductie
K. Teuben, datum 02-12-2004
- Datum
02-12-2004
- Auteur
K. Teuben
- JCDI
JCDI:ADS577079:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Bijv. Brenninkmeijer 2001b, p. 57 e.v.
Vgl. hierover Bloembergen 1990, p. 3-8.
Zie hierover Bloembergen 1989, p. 3-12, alsmede Köhne 2000.
Dit wordt zelfs wel gezien als een van de hoofdbeginselen van (Nederlands) burgerlijk procesrecht; zie o.a. Van Boneval Faure 1893, p. 117; Snijders, Ynzonides & Meijer 2002, nr. 52.
Uiteraard met uitzondering van die gevallen waarin een supranationale rechter, zoals bijv. het HvJ EG of het EHRM, de hoogste rechter is.
Zie hierover Bloembergen 1989, p. 11; Martens 1997, p. 21; en - in kritische zin - Jessurun d'Oliveira 1999b, p. 379.
Waarover Bloembergen 1989, p. 8; Martens 1997, p. 21-22. Een bekend voorbeeld is de vraag of beleidsregels van bestuursorganen te beschouwen zijn als 'recht' in de zin van art. 99 (oud) RO. In identiek geformuleerde arresten is deze vraag door alle kamers van de Hoge Raad bevestigend beantwoord (zie HR 28 maart 1990 (belastingkamer), N] 1990,118, m.nt. MS; HR 19 juni 1990 (strafkamer), NJ 1990, 119, m.nt. ThWvV en MS; en HR 29 juni 1990 (burgerlijke kamer), NJ 1990, 120).
De taak van de rechter wordt wel gekarakteriseerd als het beslissen in concrete gevallen. Concrete gevallen staan echter meestal niet op zichzelf. Er zijn immers altijd wel soortgelijke, vergelijkbare gevallen. De rechter doet dan pas werkelijk recht wanneer zijn beslissing in het individuele geval logisch aansluit bij de beslissingen in vergelijkbare gevallen. Deze eis kan gezien worden als een uitvloeisel van het gelijkheidsbeginsel, dat onder andere is neergelegd in art. 1 van onze Grondwet. Gesproken wordt ook wel van de eis van rechtseenheid1 waaronder in deze context met name eenheid van rechtspraak moet worden verstaan.2
Eenheid van rechtspraak ontstaat doorgaans niet 'vanzelf'. Hoe meer verschillende rechters een oordeel over dezelfde vragen moeten geven, hoe groter immers de kans is dat zij tot uiteenlopende of zelfs tegenstrijdige antwoorden komen. Hiermee is de noodzaak van coördinatie van rechtspraak gegeven. Met deze term wordt gedoeld op alle rechterlijke activiteiten die erop gericht zijn, uitspraken van rechters zoveel mogelijk met elkaar in overeenstemming te doen zijn.3
In de organisatie van de rechtspraak zelf is al een aantal 'voorzieningen' ingebouwd om deze coördinatie te bevorderen. Te denken valt bijvoorbeeld aan het stelsel van rechtsmiddelen: wie meent dat de beslissing van een rechter onjuist is, kan hiertegen in de meeste gevallen hoger beroep, en vervolgens beroep in cassatie instellen.4 Uiteindelijk is het de hoogste rechter - in burgerlijke en strafzaken doorgaans de Hoge Raad5 - die, met name over de beantwoording van rechtsvragen, het laatste woord heeft. Een ander voorbeeld vormt het beslissen in een meervoudige kamer: rechters moeten daarbij uiteindelijk komen tot afstemming in de vorm van een gemeenschappelijk oordeel over de voorgelegde zaak. Ook op meer informele wijze kan coördinatie van rechtspraak plaatsvinden, bijvoorbeeld wanneer de rechter die in een zaak een bepaalde vraag voorgelegd krijgt, bij zijn collega's navraag doet of zij ooit soortgelijke zaken bij de hand hebben gehad en wat zij daarin toen beslist hebben, of een databank met jurisprudentie raadpleegt. Van de burgerlijke kamer van de Hoge Raad is bekend dat principiële zaken niet slechts door de rechters die 'op de zaak zitten', maar door de voltallige kamer worden besproken6 en dat ook tussen de verschillende kamers van de Hoge Raad, naar aanleiding van de beslissing in specifieke zaken, regelmatig overleg plaatsvindt over de beantwoording van bepaalde rechtsvragen.7