Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht
Einde inhoudsopgave
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/1.4:1.4 Probleemstelling
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/1.4
1.4 Probleemstelling
Documentgegevens:
K. Teuben, datum 02-12-2004
- Datum
02-12-2004
- Auteur
K. Teuben
- JCDI
JCDI:ADS579475:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie hierover uitgebreider § 5.2.3.
Waarover kritisch Jessurun d'Oliveira 1999b, p. 379-380.
Zie hierover Terlouw 2003, p. 293-302.
Vgl. hierover ook Van Ommeren 1996, p. 54-55.
Zie hierover Bröring 1993, p. 52-54.
In deze zin bijv. Terlouw 2003, p. 169; Haazen 2001, p. 319-323.
Zie hierover Bröring 1993, p. 366-367.
Waarover Senden 2003.
Zie hierover Senden 2003, p. 267-270.
Vgl. Bröring 1993, p. 464-465.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Rechtersregelingen spelen inmiddels in de rechtspraktijk een belangrijke rol. Men denke bijvoorbeeld aan de eerder genoemde (landelijke) rolreglementen, de NVvR-alimentatienormen of de kantonrechtersformule. Te verwachten is dat dit belang in de toekomst alleen maar zal toenemen. Zo is in de herziene Wet op de rechterlijke organisatie expliciet vastgelegd dat zowel de gerechts-besturen als de Raad voor de rechtspraak een taak hebben bij de bevordering van de juridische kwaliteit en de uniforme rechtstoepassing binnen de gerechten (vgl. art. 23 lid 3 en art. 94 RO).1 Het ligt in de rede dat, als gevolg hiervan, in de toekomst nog meer (landelijke) rechtersregelingen tot stand zullen komen.
Hiermee wint ook de vraag aan belang, welke juridische betekenis (anders gezegd: welke bindende werking) deze regelingen hebben. In hoeverre is de rechter verplicht tot toepassing van een rechtersregeling, en wat zijn de gevolgen indien toepassing achterwege blijft? En, als keerzijde van deze vraag: kunnen ook de procespartijen aanspraak maken op toepassing van een rechtersregeling door de rechter, en zo ja, in welke gevallen en op welke wijze?
Er is reden juist deze vragen te onderzoeken. Vooralsnog is onduidelijk welke juridische betekenis rechtersregelingen precies (zouden moeten) hebben. Dat door rechters, althans door de rechters die betrokken zijn geweest bij de totstandkoming daarvan, in veel gevallen (een zekere mate van) binding aan zodanige regelingen wordt beoogd, blijkt reeds uit het gebruik van bewoordingen als 'dit reglement treedt in werking op',2 of 'dit rapport is van kracht met ingang van', alsmede uit het feit dat rechtersregelingen niet alleen in de juridische vaktijdschriften, maar soms zelfs in de Staatscourant gepubliceerd worden. In het algemeen lijken rechtersregelingen - zeker wanneer deze binnen een gerecht zijn vastgesteld - door rechters ook als (in beginsel) bindend te worden ervaren, bijvoorbeeld onder invloed van 'sociale controle' van collega's.3 De aanwezigheid van dit soort vormen van feitelijke binding is echter, zoals eerder opgemerkt, nog niet beslissend voor de vraag in hoeverre ook rechtens binding aan rechtersregelingen bestaat. Andersom kan de mate waarin rechters zich feitelijk gebonden achten aan een rechtersregeling juist worden beïnvloed door kennis ten aanzien van de vraag of zij aan een dergelijke regeling ook in juridische zin al of niet gebonden zijn. Deze laatste vraag staat derhalve in dit onderzoek centraal.
Hierbij verdient opmerking dat de term (juridische) 'binding' zowel in een enge als in een ruime betekenis kan worden gebruikt.4 De enge betekenis houdt in dat van 'binding' pas sprake is wanneer een bepaalde regel altijd moet worden toegepast en daarvan niet mag worden afgeweken. Meestal wordt dit gekoppeld aan het al dan niet berusten op een bevoegdheid tot wetgeving (in materiële zin).5 Binding is in deze optiek een kwestie van 'alles of niets'; zij is wel of niet aanwezig.6
Het is echter ook mogelijk om van een ruimer begrip 'binding' uit te gaan: reeds wanneer het recht op enigerlei wijze consequenties verbindt aan de aanwezigheid van een bepaalde regel, kan gezegd worden dat die regel (in zekere mate) bindend is. Een voorbeeld hiervan bieden de zogeheten 'richtlijnen' die in het bestuursrecht voorkomen: regels die niet afkomstig zijn van een tot regelgeving bevoegde instantie, maar wel een zekere juridische waarde hebben doordat het eenvoudigweg navolgen van deze richtlijnen door een bestuursorgaan in beginsel geoorloofd is, terwijl afwijking slechts in beperkte mate mogelijk is.7 Een ander voorbeeld is te vinden in het EG-recht, dat niet slechts rechtstreeks bindende instrumenten als verordeningen of richtlijnen kent, maar ook vormen van 'soft law' als bijvoorbeeld aanbevelingen of adviezen van een gemeenschapsinstelling.8 Hoewel zij niet rechtstreeks bindend zijn (vgl. art. 249eg), kan aan dergelijke instrumenten toch een bepaalde juridische betekenis toekomen, bijvoorbeeld via de werking van algemene rechtsbeginselen of via doorwerking in rechterlijke uitspraken.9 De ruime opvatting van het begrip 'binding' gaat uit van een glijdende schaal, waarop deze verschillende gradaties - variërend van 'sterke' tot 'zwakke' binding -in kaart gebracht kunnen worden.10 De ondergrens (geen binding) ligt daar waar het rechtens onverschillig is of een bepaalde regel wel of niet gevolgd wordt.
Nu rechters niet over wetgevende bevoegdheden beschikken, zal het bij rechtersregelingen waarschijnlijk eveneens gaan om regels waaraan een 'zachtere' vorm van binding toekomt dan aan de 'gewone' rechtsregels (zoals bijvoorbeeld te vinden in de wet). Ik gebruik daarom in dit onderzoek de term 'binding' steeds in de zojuist omschreven ruime betekenis. Ter afwisseling spreek ik ook wel van 'bindende werking', 'juridische betekenis' of 'juridische status'. Ook deze termen worden steeds in dezelfde, ruime, betekenis gehanteerd.