Einde inhoudsopgave
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/4.5.3.3
4.5.3.3 Lagere rechter wél gebonden aan wetsinterpreterende rechtersregeling?
K. Teuben, datum 02-12-2004
- Datum
02-12-2004
- Auteur
K. Teuben
- JCDI
JCDI:ADS581910:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie § 4.4.2.5.
Een goed voorbeeld hiervan biedt de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP), die geleid heeft tot diverse vormen van rechterlijke samenwerking, waaronder de aanbevelingen van de NVvR-werkgroep van rechters).
Juist om deze redenen heeft de 'Commissie Verbetervoorstellen Civiel' in haar rapport d.d. 22 juni 2004 (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, onder Raad voor de rechtspraak/Publicaties) het voorstel gedaan een 'commissie tot begeleiding van implementatie van wetgeving in rechtspraak' in te stellen, die bij de totstandkoming van nieuwe wetgeving 'richtlijnen' zou moeten opstellen hoe met de nieuwe wetgeving om moet worden gegaan.
Vgl. hetgeen eerder in § 4.5.2 is opgemerkt.
Zie § 4.3.2.
Zie Bröring 1998, nr. 18.
In deze zin mogelijk ook Martens 1997, p. 24.
Men kan zich daarom afvragen of partijen met een dergelijke binding praktisch gesproken veel opschieten: om deze binding te effectueren zullen zij zich immers tot een hogere rechter moeten wenden, die vervolgens niet aan de rechtersregeling gebonden is. Vgl. hieromtrent ook § 8.5.3.
Zoals in de vorige paragraaf is uiteengezet, zal de invulling van interpretatieruimte via een rechtersregeling theoretisch bezien niet op dezelfde wijze tot 'voorafgaande' binding kunnen leiden als de mvulling van beleidsruimte. Over rechtsvragen heeft immers uiteindelijk de hoogste rechter het laatste woord. Bij deze constatering kan echter een tweetal kanttekeningen worden geplaatst.
In de eerste plaats bestaat er een tamelijk omvangrijk grensgebied, waar het voorgaande niet of slechts in veel mindere mate opgaat. Dit is ten eerste het geval in situaties waarin geen rechtsmiddelen openstaan (hetgeen zich met name voordoet bij rolbeschikkingen en de ontbindingsprocedure van art. 7:685 BW), en voorts wanneer het gaat om de toepassing van vage normen door de lagere rechter. In het eerste geval vindt vanzelfsprekend in het geheel geen toetsing door de cassatierechter plaats; de lagere rechter is hier feitelijk tevens de hoogste rechter. In het tweede geval beperkt de Hoge Raad zich doorgaans tot een 'marginale' controle en laat de interpretatie van een vage norm in het concrete geval voor het overige over aan de feitenrechter. In dat geval heeft de beslissingsruimte van de feitenrechter derhalve de facto het karakter van beleidsruimte: zijn beslissing wordt door de hoogste rechter slechts in (zeer) beperkte mate getoetst.1
Een tweede belangrijk punt is dat, zelfs wanneer het gaat om een rechtsvraag die de Hoge Raad wél kan en wil beantwoorden, de vaststelling van een wetsinterpreterende regeling door (lagere) rechters zinvol kan zijn. Het kan immers jaren duren totdat een bepaalde vraag tot de hoogste rechter doordringt. Vooral bij nieuwe wetgeving die in een groot aantal gevallen moet worden toegepast,2 kan hier in de praktijk veelal niet op worden gewacht.3 De vaststelling van een wetsinterpreterende rechtersregeling biedt dan, zeker wanneer aan die regeling de hier bedoelde binding toekomt, in elk geval een voorlopige oplossing en kan wellicht zelfs bevorderen dat rechters, en daarmee uiteindelijk ook de Hoge Raad, zich over de desbetreffende rechtsvraag expliciet uitspreken. Gebondenheid van de vaststellende rechters ook aan wetsinterpreterende regels zal bovendien in het belang zijn van de rechtszekerheid en de rechtsgelijkheid.4 Juist om deze redenen zijn door de Awb-wetgever wetsinterpreterende beleidsregels (die in het verleden werden beschouwd als een principieel ander type regels5) gelijkgesteld met de overige soorten beleidsregels.6 Het bestuur zélf is naar huidig recht aan een wetsinterpreterende beleidsregel op dezelfde wijze gebonden als aan een 'beleidsmatige' beleidsregel, zij het dat het uiteindelijk de rechter is die bepaalt welke wetsuit-leg de juiste is.
Verdedigd zou dan ook kunnen worden dat de rechters die een wetsinterpreterende regeling vaststellen, zélf direct aan die regeling gebonden kunnen worden geacht indien ook aan de overige voorwaarden uit het rolrichtlijnen-arrest is voldaan. Hiervoor valt met name in de eerder genoemde categorieën gevallen waarin de cassatierechter niet tot (volledige) toetsing in staat is, wel iets te zeggen 7 Wel zal ook dan uiteraard blijven gelden dat een hogere rechter altijd nog anders kan oordelen over de desbetreffende rechtsvraag en hij daarbij op geen enkele wijze gebonden is aan de door de lagere rechter voorgestane interpretatie. Het zal hier dus hooguit om een 'voorlopige' binding van de lagere rechter kunnen gaan.8