Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht
Einde inhoudsopgave
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/4.5.1:4.5.1 Inleiding
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/4.5.1
4.5.1 Inleiding
Documentgegevens:
K. Teuben, datum 02-12-2004
- Datum
02-12-2004
- Auteur
K. Teuben
- JCDI
JCDI:ADS579473:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In § 4.4 is, uitgaande van het rolrichtlijnen-arrest, besproken of en wanneer door rechters rechtersregelingen kunnen worden vastgesteld en wat de (juridische) consequenties van die vaststelling kunnen zijn. Hierbij bleek dat rechters, op vergelijkbare wijze als bestuursorganen, kunnen overgaan tot 'zelfbinding': door de vaststelling van een rechtersregeling omtrent de uitoefening van (hun eigen) rechtsprekende bevoegdheden en de behoorlijke bekendmaking daarvan zijn zij vervolgens, althans in beginsel, aan de desbetreffende regeling gebonden. Indien daarnaast is voldaan aan de voorwaarde dat de regeling 'zich ertoe leent als rechtsregel te worden toegepast', zal zij tevens kunnen gelden als 'recht' in de zin van art. 79 RO. Belangrijk is dat het hierbij gaat om een voorafgaande binding, die reeds ontstaat op het moment dat de regeling door de ter zake bevoegde rechters is vastgesteld en behoorlijk bekendgemaakt is.1 Hoewel de rechter in bijzondere gevallen van de regeling zal kunnen afwijken,2 ontstaat hiermee toch een vrij sterke mate van gebondenheid.
De vraag die daarmee beantwoording behoeft is of iedere rechtersregeling die aan de aldus uit het rolrichtlijnen-arrest af te leiden voorwaarden voldoet, deze vorm van binding kan opleveren (en bovendien als recht in de zin van art. 79 RO aangemerkt zal kunnen worden). Anders geformuleerd: lenen alle 'bevoegdheden' van de rechter zich voor de hier bedoelde zelfbinding? Het rolrichtlijnen-arrest - waarin de Hoge Raad in ieder geval voor rolreglementen van deze mogelijkheid uitgaat - geeft op deze vraag geen expliciet antwoord. Anders dan in het Leidraad-arrest inzake beleidsregels geeft de Hoge Raad immers geen algemeen geformuleerde regel: de overwegingen zijn toegespitst op 'door de rechtbank vastgestelde regels omtrent de uitoefening van haar rolbeleid'. Open blijft of zelfbinding door de rechter - tevens leidend tot het ontstaan van recht in de zin van art. 79 RO - ook mogelijk en aanvaardbaar is op andere gebieden dan dit rolbeleid, met name ook: op materieelrechtelijk gebied. Dit laatste is in de literatuur omstreden.3
In deze paragraaf wordt daarom nader onderzocht wat de reikwijdte is van het rolrichtlijnen-arrest. Deze vraag dient vanuit meerdere invalshoeken te worden bezien. Achtereenvolgens zijn dit de algemene beginselen van behoorlijke rechtspleging (§ 4.5.2), het verschil tussen beleidsruimte' en 'interpretatieruimte' (§ 4.5.3) en de taak van de rechter (§ 4.5.4). Na behandeling hiervan wordt een keuze voor afbakening gemaakt (§ 4.5.5).