Einde inhoudsopgave
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/1.2
1.2 Rechterlijke samenwerking
K. Teuben, datum 02-12-2004
- Datum
02-12-2004
- Auteur
K. Teuben
- JCDI
JCDI:ADS578282:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Hoewel reeds tenminste sinds het begin van de jaren '80 van de vorige eeuw sprake is van de hier bedoelde samenwerking tussen rechters, is er toch pas het laatste decennium meer aandacht voor dit verschijnsel. Zie met name de bijdragen in NJB Speciaal, december 1989; Ingelse e.a. 1997; Cleiren & Schoep 2001. Zie voorts Terlouw 2003; Köhne 2000, Jessurun d'Oliveira 1999b; De Waard 1998; Van der Meulen 1997.
Een uitzondering hierop vormt het vreemdelingenrecht: hier werd door rechters in de zgn. 'Rechtseenheidskamer' ook samengewerkt in concrete zaken (waarover uitgebreid Terlouw 2003, p. 105-163).
Ter gelegenheid van een studieweekend van de gerechtshoven in 1997 over 'De mogelijkheden en grenzen van rechterlijke samenwerking' werd door P. Ingelse e.a. een enquête onder (de presidenten/voorzitters van) de Nederlandse gerechten gehouden. De resultaten van deze - ongepubliceerde - enquête bevestigen in grote lijnen het beeld dat m.b.t. de samenwerking op het gebied van het bestuurs(proces)recht reeds was geschetst door Ten Berge e.a. 1996. Zie voorts Huls & Schellekens 2001a over rechterlijke samenwerking m.b.t. de toepassing van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP) en Terlouw 2003 over samenwerking in het vreemdelingenrecht.
Zie hierover uitgebreider § 5.2.3.4.
Zie hierover Ten Berge e.a. 1996, p. 358-359.
Zie hierover Van Dijke 2001, p. 163.
Zie hierover § 2.2.
Zie voor enige voorbeelden § 2.9.
Zie hierover § 2.6.
Zie hierover J 2.5.
Zie hierover § 2.7.
Vgl. Martens 1997, p. 10.
De zojuist genoemde methoden tot coördinatie van rechtspraak zijn belangrijk, maar voldoen niet in alle gevallen. De meeste mogelijkheden zijn immers informeel en vrijwillig, en daarmee uiteindelijk vrijblijvend. Via het instellen van een rechtsmiddel is coördinatie wél afdwingbaar: een 'afwijkende' uitspraak kan in appèl of cassatie immers vernietigd worden. Het stelsel van rechtsmiddelen kent echter de nodige beperkingen. Zo heeft de wetgever in sommige gevallen rechtsmiddelen geheel uitgesloten (vgl. bijvoorbeeld het appèl- en cassatieverbod van art. 7:685 lid 11bw voor beslissingen van de kantonrechter inzake ontbinding van een arbeidsovereenkomst). De Hoge Raad spreekt zich in beginsel slechts uit over rechtsvragen en beschouwt tal van (interpretatie)kwesties als 'feitelijk'. Waar bovendien de wetgever veelal volstaat met het geven van vage of open normen, waarbij de nadere invulling aan de rechtspraak wordt overgelaten, is het niet verwonderlijk dat de (lagere) rechtspraak soms structureel uiteenloopt ten aanzien van bepaalde onderwerpen. De klassieke voorbeelden hiervan zijn bekend: de vaststelling van een 'billijke vergoeding' (art. 7:685 lid 8 BW) bij de ontbinding van een arbeidsovereenkomst, de toekenning van smartengeld, en - buiten het terrein van het burgerlijk recht - de strafmaat, met name bij veel voorkomende delicten. Het probleem is echter niet beperkt tot deze onderwerpen.
Wanneer uitspraken van rechters in vergelijkbare zaken sterk uiteenlopen, leidt zulks vaak tot scherpe kritiek, zowel in de juridische literatuur als daarbuiten. Ook door rechters wordt dit uiteraard onderkend. In de praktijk zijn daarom allerlei overlegstructuren ontstaan, die tegenwoordig wel worden aangeduid met het verzamelbegrip rechterlijke samenwerking.1 Het gaat hierbij om diverse vormen van (min of meer) geïnstitutionaliseerd overleg tussen rechters, welk overleg erop is gericht de wijze waarop in toekomstige gevallen gehandeld of beslist zal worden, af te stemmen. Hiermee wordt beoogd uiteenlopende uitspraken te voorkomen en aldus de rechtsgelijkheid en rechtszekerheid voor justitiabelen te verbeteren.
Anders dan de in § 1.1 genoemde vormen van coördinatie van rechtspraak, vindt het hier bedoelde overleg doorgaans plaats los van de beslissing in een concrete zaak. Met dit laatste bedoel ik dat het gaat om samenwerking die een algemeen karakter heeft en niet slechts incidenteel - met het oog op één specifieke beslissing - plaatsvindt. Uiteraard is het wel mogelijk dat een of meer concrete gevallen (mede) de aanleiding vormen voor overleg, maar dit overleg heeft in het algemeen niet tot doel, in deze concrete zaken te beslissen.2
Uit het empirisch onderzoek dat tot nog toe is verricht naar rechterlijke samenwerking kan worden afgeleid dat dit verschijnsel in de praktijk tot grote bloei is gekomen.3 Op alle niveaus van rechtspraak, van hoog tot laag, vindt met de nodige regelmaat overleg tussen rechters plaats. Het kan hierbij zowel gaan om overleg binnen een gerecht (hetgeen ook wel wordt aangeduid als 'intern overleg'), als om overleg tussen meerdere gerechten (extern overleg). Deze laatste vorm van overleg kan plaatsvinden tussen gerechten van gelijke rang (men spreekt in dat geval wel van horizontaal overleg), maar ook tussen 'hogere' en 'lagere' gerechten (verticaal overleg), en zelfs tussen de (hoogste) rechters van verschillende rechtsgebieden. Zo kennen de gerechten tegenwoordig wettelijk geregelde overlegorganen als de sectorvergaderingen en de gerechtsvergadering (art. 20 lid 3 en art. 22 RO), waarbinnen (onder meer) besluitvorming kan plaatsvinden over de 'juridische kwaliteit en de uniforme rechtstoepassing'.4 Op het niveau van zowel de rechtbanken als de gerechtshoven functioneren vergaderingen van presidenten en sectorvoorzitters. Tussen de hoogste bestuursrechters en de belastingkamer van de Hoge Raad vindt enkele malen per jaar overleg plaats.5 Deze opsomming is uiteraard niet uitputtend.
Ook buiten het kader van de gerechten kan rechterlijke samenwerking plaatsvinden. Rechters ontmoeten elkaar in organisaties als de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak (nvvr) en de Kring van Kantonrechters. De NVvR, de beroepsvereniging voor rechters en officieren van justitie, is in de eerste plaats een 'vakorganisatie' voor rechters. Binnen de NVvR functioneren daarnaast op diverse rechtsgebieden werkgroepen die zich bezighouden met het opstellen van 'aanbevelingen' voor de rechterlijke instellingen. De Kring van Kantonrechters is evenals haar koepelvereniging de nvvr een privaatrechtelijke vereniging, waarvan vrijwel alle kantonrechters lid zijn.6 In dit verband wordt regelmatig overlegd over de inhoudelijke kanten van de kantonrechtspraak.
Zoals zojuist al werd opgemerkt, is rechterlijke samenwerking erop gericht de wijze waarop in toekomstige gevallen gehandeld of beslist zal worden, af te stemmen. Soms gaat het bij deze afstemming slechts om een min of meer vrijblijvende gedachtenwisseling met collega's. In een niet onaanzienlijk aantal gevallen leidt overleg tussen rechters evenwel tot de totstandkorning van algemene afspraken of regelingen, waarvan het - voorzichtig geformuleerd - de bedoeling is dat deze in de toekomst door de betrokken rechters gehanteerd zullen worden. Ik noem hiervan enkele voorbeelden. Op het terrein van het procesrecht zijn de laatste jaren verschillende landelijke procesreglementen tot stand gebracht, zoals bijvoorbeeld het Landelijk reglement voor de civiele rol bij de rechtbanken, het Landelijk reglement voor de civiele rol van de kantongerechten en de landelijke procesreglementen van de rechtbanken voor de scheidingsprocedure en de alimentatieprocedure.7 Daarnaast publiceren diverse gerechten via de website van de rechterlijke macht, www.rechtspraak. nl, eigen (aanvullende) 'richtlijnen', 'beleidsbesluiten' en dergelijke met betrekking tot de wijze van procederen.8 De NVvR heeft onder meer het rapport 'Alimentatienormen' inzake de berekening van alimentaties9 en het rapport 'Voor-werk II' inzake de vergoeding van buitengerechtelijke kosten10 het licht doen zien. De Kring van Kantonrechters heeft een aantal aanbevelingen geformuleerd voor de ontbindingsprocedure van art. 7:685bw, waarvan de zogeheten 'kantonrechtersformule' (waarmee de hoogte van een toe te kennen ontbindingsvergoeding kan worden berekend) de bekendste vormt.11 Steeds gaat het hierbij om onderwerpen die in de praktijk veelvuldig aan de orde zijn en ten aanzien waarvan de wetgever aan de rechter een zekere (en soms aanzienlijke) beslissingsruimte heeft overgelaten.12