Einde inhoudsopgave
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/3.3.2.2
3.3.2.2 De rechtsvormende taak van de rechter
K. Teuben, datum 02-12-2004
- Datum
02-12-2004
- Auteur
K. Teuben
- JCDI
JCDI:ADS574758:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Hieraan heeft met name het Algemeen Deel van Scholten (Asser-Scholten 1974) een belangrijke bijdrage geleverd.
Dit wordt wel eens onderbelicht; vgl. Drion 1973 p. 50, die in dit verband spreekt van een 'rechtsvinderssyndroom'.
Vgl. Hesselink 1999, p. 400.
Vgl. bijv. Asser-Scholten 1974, p. 122: 'de toepassing is rechtsvorming'.
Zie hierover Wiarda/Koopmans 1999, p. 43-50 en p. 71-76.
Vgl. in deze zin ook Part. Gesch. Boek 6, p. 26-27.
Zie voor deze term Snijders, Ynzonides & Meijer 2002, nr. 13; zie hierover ook § 7.5.2.3.
Zie hierover Martens 2000, p. 174-178; Wiarda/Koopmans 1999, p. 50-60.
Zie hierover uitgebreid Martens 2000, p. 171-181; Stolker 1993, p. 60-83. Ook de Hoge Raad spreekt sinds zijn arrest van 12 oktober 1984, NJ 1985,230 m.nt. G openlijk van de 'rechtsvormende taak' van de rechter.
Een fraai voorbeeld hiervan vormt HR 17 januari 2003, NJ 2003,113 m.nt. PV, waarin de Hoge Raad in de onduidelijkheid en vertraging die was ontstaan bij totstandkoming van de uitvoeringswetgeving bij de EG-Betekeningsverordening, aanleiding zag te bepalen dat eventueel ontstane verzuimen in de betekening hersteld konden worden in alle gevallen waarin vóór 1 april 2003 een dagvaarding op de voet van art. 63 lid 1 Rv was betekend. Zie over de precieze werking van door de rechter gevormde rechtsregels voorts hoofdstuk 7 en 8.
Vgl. Brenninkmeijer 2001c, p. 1192 (met veel verdere verwijzingen); Snijders 1997b, p. 1793-1794; Polak 1987, p. 26-29.
Aldus bijv. Witteveen 1991, p. 69-74.
In deze zin Snijders 2001, p. 21-22; Asser-Vranken 1995, nrs. 78-80; Martens 1997, p. 12. Zie over de betekenis van art. 12 AB ook § 7.5.2.5.
Hoewel de Triasleer zoals deze oorspronkelijk wel werd opgevat tot een duidelijke taakafbakening tussen rechter en wetgever bleek te leiden, kan geconstateerd worden dat in ons huidige constitutionele bestel de verhouding tussen rechter en wetgever een geheel andere invulling heeft gekregen. Een tweetal ontwikkelingen heeft hiertoe in het bijzonder bijgedragen.
Allereerst is - reeds lang - onderkend dat rechtspraak door de rechter niet louter toepassing van rechtsregels is, en dit ook niet kan zijn.1 De rechtsregels die de rechter dient toe te passen liggen immers niet steeds pasklaar voor toepassing gereed. Hoewel de rechter in veel gevallen inderdaad eenvoudigweg de wet zal kunnen toepassen op het concrete geval2 is het lang niet altijd mogelijk, de oplossing voor een bepaalde kwestie rechtstreeks uit de wet (of uit een andere rechtsregel) af te leiden. In dat geval zal de rechter, teneinde tot een beslissing te kunnen komen, de wet (nader) moeten concretiseren, aanvullen of verfijnen3 alvorens hij deze kan toepassen. Dit proces van 'rechtsvinding' kan ertoe leiden dat de rechter nieuwe elementen toevoegt aan de reeds bestaande regels, of zelfs tot de vorming van geheel nieuwe rechtsregels komt. Rechtstoepassing door de rechter brengt aldus noodzakelijkerwijs rechtsvinding én rechtsvorming met zich.4
In de tweede plaats is ook de wetgever zélf, met name in het burgerlijk recht, welbewust meer aan de rechter gaan overlaten.5 De wetgever kan immers bij de vaststelling van een algemene regeling niet alle toekomstige situaties voorzien, laat staan deze tot in details regelen. Zo zijn in het huidige Burgerlijk Wetboek vele vage of open normen opgenomen ('goede trouw', de 'zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer betaamt', 'naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid', et cetera), waarvan de betekenis voor concrete gevallen nader door de rechter moet worden bepaald.6 Ten aanzien van bepaalde leerstukken (zoals bijvoorbeeld de precontractuele fase en de derdenwerking van overeenkomsten) is er zelfs bewust van afgezien deze in het BW te regelen, teneinde de (verdere) rechtsontwikkeling op deze gebieden geheel aan de rechter over te laten.7 Deze 'rechtsontwil<kelmgsfunctie'8 van de rechtspraak is ook tot uitdrukking gebracht in het in 1988 ingevoerde art. 101a (thans art. 81) RO, dat uitdrukkelijk verwijst naar deze taak van de (cassatierechter.
Tot slot heeft ook internationaal verdragsrecht (waarbij in het bijzonder valt te denken aan het EG-recht en het evrm) in dit verband een belangrijke rol gespeeld. Art. 94 Gr.w. gebiedt de rechter immers, regels van nationaal recht die in strijd zijn met ieder verbindende verdragsbepalingen buiten toepassing te laten. Wanneer door het buiten toepassing laten van een bepaalde regel een 'leemte' ontstaat, zal de rechter veelal genoodzaakt zijn deze op te vullen door zelf een nieuwe rechtsregel te ontwikkelen.9
De hier geschetste ontwikkelingen hebben ertoe geleid, dat thans als algemeen aanvaard kan worden beschouwd dat de rechter, naast de wetgever, een eigen 'rechtsvormende taak' vervult:10 ook de rechter kan in zijn uitspraken tot de vorming van algemene rechtsregels komen.11 Niet langer wordt dan ook uitgegaan van een strikte machtenscheiding tussen wetgever en rechter op het gebied van de rechtsvorming, maar veeleer van een zekere samenwerking tussen deze beide machten.12 De verhouding tussen rechter en wetgever wordt tegenwoordig veelal omschreven in termen van machtsevenwicht.13 Tegen deze achtergrond bezien worden bepalingen als art. 11 en 12 AB, die nog van een geheel andere opvatting getuigen, daarom niet ten onrechte wel als 'achterhaald' gekarakteriseerd.14